Politici positief over herinneringsfonds slavernijverleden
Algemeen
dinsdag 9 september 2008Er moet een Nederlands fonds ter herinnering aan het slavernijverleden komen. Dat vindt historicus Johannes Houwink ten Cate, die tijdens de eerste Dag van het Slavernijverleden, op 6 september jongstleden in Amsterdam, bijval kreeg van de parlementsleden Harry van Bommel (SP), Kathleen Ferrier (CDA) en Joël Voordewind (Christen Unie).
Johannes Houwink ten Cate, hoogleraar Holocaust en Genocide Studies aan de Universiteit van Amsterdam, riep de aanwezige politici op om ruimhartig te zijn met herstelbetalingen aan de nazaten van Afrikaanse slaven in Suriname en op de Antillen. ‘Ik denk dat uitbetaling aan individuele slachtoffers praktisch ondoenlijk is, maar dat er juist vanwege de langetermijneffecten van de slavernij een goed gedoteerd Nederlands Fonds ter Herinnering aan het Slavernijverleden moet worden ingesteld.’
Tijdens het aansluitende debat tussen Tweede-Kamerleden van SP, CDA en Christen Unie bleek hiervoor draagvlak te zijn. ‘Ik ga geen blanco cheque uitschrijven,’ zei Harry van Bommel (SP) ‘maar ik vind het een interessant idee.’ Volgens Kathleen Ferrier (CDA) zou een eventueel nieuw fonds moeten worden geïntegreerd met het reeds bestaande Nationaal Instituut Nederlands slavernijverleden en erfenis (NiNsee).
ExcusesVan Bommel riep in mei van dit jaar minister-president Balkenende op zijn bezoek aan Suriname aan te grijpen om namens de Nederlandse staat officieel excuses aan te bieden voor de Nederlandse rol in de slavenhandel. De premier gaf hieraan geen gehoor, maar van Bommel kondigde aan ‘het er niet bij te laten zitten.’ Ferrier, dochter van de eerste president van Suriname en parlementslid namens het CDA, ziet niets in een officieel excuus. ‘Door de voormalige koloniën excuses aan te bieden creëren we slechts een situatie van ongelijkheid tussen onze landen. We moeten juist op basis van gelijkheid met elkaar verder.’ Voordewind vind een officieel excuus ook contraproductief werken. Wel is hij, net als zijn collega-politici, van mening dat er ruime aandacht aan het slavernijverleden op scholen besteed moet worden. Voor het idee van een speciaal fonds staat hij dan ook open.
AfschaffingDe Dag van het Slavernijverleden werd georganiseerd door NiNsee en
Historisch Nieuwsblad en had verdieping van de kennis van dit verleden tot doel. Tijdens een interview met Maartje Janse, onderzoeker aan de Universiteit van Leiden en auteur van het proefschrift
De afschaffers. Publieke opinie, organisatie en politiek in Nederland, 1840-1880, kwam de pijnlijke vraag aan de orde, waarom de Nederlandse slavernij pas in 1863 afgeschaft werd, ruim ná Engeland (1833), Frankrijk (1848) en zelfs Rusland (1861).
Volgens Janse was de politieke cultuur in Nederland, waarvan na de revolutionaire jaren massabewegingen geen onderdeel meer waren, een belangrijke verantwoordelijke voor de late afschaffing. De politieke wil was er wel, maar de afschaffing diende op een ‘beschaafde’ manier te gebeuren. Dat Nederland in navolging van Engeland in 1814 wel de slavenhandel afschafte, was volgens Janse een voorwaarde voor de Engelse regering om Nederland en België als één land te erkennen.
door Maarten Muns
Fotobijschrift: Muziek tijdens de Dag van het Slavernijverleden van Verno Romney & the TK Jive (foto Sander Heijne)