‘Overheid mag geschiedenis niet opleggen'
Algemeen
Het Nationaal Historisch Museum (NHM) voorziet voornamelijk in een politieke behoefte. Om inhoudelijke bemoeienis van Den Haag te voorkomen kunnen Nederlandse historici zich niet langer afzijdig houden als het om de ontwikkeling van dit museum gaat. Dit was de conclusie van een debatbijeenkomst op 23 mei in de Koninklijke Bibliotheek in Den Haag over het NHM, dat in 2011 in Arnhem zijn deuren moet openen.
Vijf prominente deskundigen uit de historische en museale wereld debatteerden met elkaar en het publiek. Helaas moest Tweede Kamerlid Atzo Nicolaï, voorzitter van de Raad van Toezicht NHM, verstek laten gaan. De bijeenkomst bestond daardoor vooral uit gelijke geesten die er maar niet in slaagden het oneens te worden.
De deskundigen voerden de geschiedwetenschap ten tonele als tegenwicht tegen de politiek. Historici moeten koste wat kost voorkomen dat politici het verleden gebruiken als een feitengrabbelton waar ze naar hartenlust in kunnen graaien. Willem Frijhof, emeritus hoogleraar Cultuurgeschiedenis aan de VU: ‘Het is belangrijk dat historici zich gedragen als waakhond. We moeten waken voor een overheid die geschiedenis op gaat leggen.’
De angst voor een politiek gebruik van het verleden deed verschillende panelleden oproepen tot een grotere bijdrage van historici aan het publieke debat. Het is aan de historici om te waken over de juistheid en wetenschappelijke context van het verbeelde verleden. Dit betekent ook dat zij vraagtekens zetten bij de doelen van het NHM. Vooral het idee dat een historisch museum bij zou dragen aan het vormen van een nationale identiteit kon op weinig bijval rekenen. Timo de Nijs, coördinator Haagse voorstel voor een Nationaal Historisch Museum: ‘Het NHM is geen inburgeringsmachine.’ Om dezelfde reden zagen de aanwezigen liever de naam veranderd worden in
Nederlands Historisch Museum.
Rens Oving