Alle themapagina's

De moedernegotie

Door: Martijn Lak

HN nr. 6/2007Handel met Oostzeegebied bracht meer rijkdom dan de VOC

De Gouden Eeuw van de Republiek dreef voor een groot deel op handel met de Oostzee. Hollanders haalden op grote schaal bulkgoederen als hout, graan en zout uit de Baltische staten. Veel succesvolle Nederlanders verdienden een fortuin met deze 'moedernegotie'.

Op nieuwjaarsdag 1626 overlijdt in Amsterdam Cornelis Pietersz. Hooft, 79 jaar oud. Cornelis is een rijk man: zijn huis aan het Singel is een van de grootste van de stad. Het wordt in het jaar van zijn overlijden getaxeerd op 23.000 gulden, en zijn hele nalatenschap wordt geschat op 321.500. Dat zijn voor die tijd kolossale bedragen: een ambachtsman verdient in het westen van de Republiek ongeveer 300 gulden per jaar.

Cornelis, wiens zoon Pieter Cornelis later een van de grootste dichters uit de vaderlandse geschiedenis zal worden, heeft zijn rijkdom vergaard in de Oostzeehandel, die door tijdgenoten wordt omschreven als 'genoechsaem de siele van de gehele negotie'. De Oostzeehandel geldt als de 'moedernegotie', en bestaat vooral uit bulkgoederen als graan, hout, pek, teer, huiden en vellen, al zullen in de loop van de zeventiende eeuw ook luxeartikelen uit het Oostzeegebied hun weg naar de Republiek vinden.

Cornelis Hooft, afkomstig uit een Zaans geslacht van schippers en graanhandelaars, maakt al op jonge leeftijd kennis met de Oostzeehandel. Vader Pieter Willemszoon Hooft is schipper en handelt met het Baltisch gebied en Frankrijk. Hij verdient genoeg om zijn zoon een opleiding te kunnen geven en hem onder te brengen bij een ervaren koopman. Zodoende reist Cornelis vanaf zijn zestiende vier jaar lang geregeld naar het Oostzeegebied. Cornelis raakt aldus vertrouwd met de zeeroutes, de havens, en de lokale gebruiken in het gebied. Bovenal gebruikt hij deze tijd om netwerken op te bouwen met de plaatselijke kooplieden. Die contacten zullen hem later uitstekend van pas komen.

Eerst komt echter de Opstand tegen Spanje tussen Hooft en zijn plannen. Als tegenstander van Spanje wordt Cornelis in 1569 gedwongen Amsterdam te verlaten. Pas in 1578 nemen de protestanten de macht over in Amsterdam en keert Cornelis terug naar de nu hervormde stad. Daar richt hij samen met zijn broer Willem in 1584 een handelscompagnie op, die zich concentreert op de handel in olie, haring en graan. De graanhandel is de kern van Cornelis' commerciële activiteiten.

Fluitschip
Die graanhandel uit de Oostzee ging terug tot de vijftiende eeuw. In 1438 en 1441 waren de Hollanders al in de Sont in oorlog met de Duitse Hanzestad Lübeck, om de doorgang tussen Zweden en Denemarken open te houden voor hun scheepvaart. In de daaropvolgende jaren slaagden de Hollanders erin de Hanze definitief uit het gebied te verdrijven. Vooral in het laatste kwart van de vijftiende eeuw kwam steeds meer graan voor Holland uit het Oostzeegebied. De Hollanders groeiden uit tot de Europese vrachtvaarders bij uitstek.

Uit het oudste register van de Sont-tol, een door de Deense kroon tussen 1497 en 1857 geheven tol op schepen die door de Sont voeren, blijkt dat in 1497 al meer dan de helft van de passerende schepen uit Holland afkomstig was. Rond 1500 maakten per jaar tussen de driehonderd en vierhonderd Hollandse schippers een reis door de Sont en terug. Dat aantal werd in de loop van de zestiende eeuw alleen maar groter. In een kleine dertig jaar, tussen 1507 en 1539, nam de in Amsterdam geïmporteerde hoeveelheid graan toe met 50 procent.

Vanwege de graanhandel bouwde Holland een grote eigen handelsvloot, die met 40.000 tot 50.000 ton twee keer zo groot was als die van machtige stadstaat Venetië. Naar schatting hadden de Hollanders omstreeks 1530 ongeveer vierhonderd grote schepen in de vaart: meer dan Frankrijk en Engeland samen. Dankzij de enorme expansie van de graanhandel streefde Amsterdam halverwege de zestiende eeuw alle concurrerende stapelmarkten voorbij en werd zijn positie als centrale graanmarkt onbetwist.

Het meeste graan kwam uit Polen, Oost-Pruisen en Lijfland, in het huidige Letland en Estland. In de jaren zestig van de zestiende eeuw leverde alleen Dantzig (Gdansk) in Polen al ongeveer 40.000 lasten graan aan Holland - één last was ongeveer twee ton. De totale aanvoer van Baltisch graan uit alle havens uit het Oostzeegebied beliep in die tijd naar schatting 72.000 lasten. Daarmee konden 650.000 mensen in de Nederlanden en elders in West-Europa worden gevoed. De helft van het graan volstond om de bevolking van de zes grote Hollandse steden, én die van Antwerpen te voeden.

Er was in die jaren sprake van een ware een invasie van Baltisch graan. De belangrijkste oorzaak was een prijsverschil tussen oost en west. In West-Europa traden een economische groei en inflatie op die het Oostzeegebied nauwelijks kende. Daardoor ontstond een prijsverschil tussen onder meer Amsterdam en de Oostzeehavens, waardoor in de graanhandel aanzienlijke winsten konden worden behaald.

Dat Amsterdam kon uitgroeien tot dé graanhaven van West-Europa, had daarnaast te maken met de gunstige ligging van de stad. Bovendien wisten de Hollanders de transportkosten laag te krijgen. Aanvankelijk waren die juist hoog. Dat zette de Hollanders ertoe aan efficiëntere schepen te ontwikkelen. Het grote voorbeeld daarvan was het fluitschip, dat een revolutie veroorzaakte in het vervoer van bulkgoederen als hout, graan en zout. De fluit had een groot laadvermogen en een kleine bemanning. Voor een fluit van tweehonderd ton kon worden volstaan met negen of tien bemanningsleden, terwijl een gelijkwaardig Engels schip er minstens dertig nodig had.

Van belang was bovendien dat de Hollanders beschikten over goede netwerken. Cornelis Pietersz. Hooft was daarvan een sprekend voorbeeld. De contacten die hij voor zijn twintigste had opgebouwd kwamen na zijn terugkeer in Amsterdam goed van pas. Bovendien verspreidde de familie Hooft zich over strategische handelsplaatsen in heel Europa. De broers Cornelis en Willem bestierden de zaak in Amsterdam. In Dantzig zaten twee andere broers, Jan en Gerrit. Daarnaast stelden drie neven de handelsbelangen veilig in het Franse La Rochelle, het Portugese Aveiro en Bergen in Noorwegen. La Rochelle was het centrum van de Franse zoutexport, Aveiro het Portugese; Bergen was een exporthaven voor haring en andere vis.

Bovendien kreeg Cornelis sterke banden met Italië. Aan het einde van de zestiende eeuw verbreedde hij zijn handelsnetwerk net als een aantal andere Hollandse kooplieden naar de laars van Europa, waar de vraag naar graan toenam. Cornelis handelde er dan ook in graan en rogge. Daarnaast trad hij vanaf 1592 op als vertegenwoordiger van Italianen die in Amsterdam graan kochten, claimde hij schade als Italiaanse schepen beschadigd raakten en regelde hij schepen voor Italiaanse kooplieden.

Politieke macht
Cornelis was daarmee geen uitzondering. Veel andere Amsterdamse kooplieden concentreerden zich op de winstgevende handel in graan en hadden daarvoor een netwerk dat zich uitstrekte van het Baltisch gebied tot de Middellandse Zee. Hoewel Cornelis ook investeerde in de Verenigde Oost-Indische Compagnie (bij de oprichting ervan in 1602 vroeg hij voor 9600 gulden aandelen aan) bleef de handel in graan zijn kernactiviteit.

De Hollandse beheersing van de Oostzeehandel was erg gunstig voor de Republiek. Ze stimuleerde andere economische activiteiten als scheepsbouw, de textielindustrie en de zeilmakerij. Ook was het de drijvende kracht achter de eerder genoemde handel op het Middellandse-Zeegebied, waar geregeld een tekort was aan graan. Het bulkgoederenvervoer legde zo de basis voor het succes van de Opstand tegen Spanje: in 1587 schreef de Spaanse vertegenwoordiger Benito Nuñez vanuit Polen aan de hertog van Parma dat zonder de aanvoer van graan en hout de opstandige provincies Holland en Zeeland spoedig het loodje zouden leggen. De hoge urbanisatiegraad en de vitaliteit van de steden zijn voor een groot deel te danken aan de handel met het Oostzeegebied.

Geen wonder dus dat tijdgenoten spraken van de 'moedernegotie'. Zij zagen de handel met het Baltische gebied als de ruggengraat van de Nederlandse economie. Het was de oudste handel van de Republiek, en er werden in termen van schepen en bemanning de meeste middelen aan besteed. Bovenal leverde de Oostzeehandel het broodgraan voor Amsterdam en andere steden, als een moeder die haar kinderen te eten gaf.

De investeringen in de Oostzeehandel waren navenant. Jaarlijks werd er voor ongeveer 6 miljoen gulden in geïnvesteerd: meer dan de investeringen in de veenhandel, landwinning, windmolens en schepen. Gedurende het grootste deel van de zeventiende eeuw was het ook meer dan er werd uitgegeven aan de handel met Indië.

De handel met de Oostzee was dus cruciaal voor de Republiek. De vaart op Indië was natuurlijk veel spectaculairder - de handel met de Baltische staten verliep sterk routinematig, zonder veel avonturen en ongelukken -, maar de Oostzee-handel was dus zeker zo succesvol. De scheepvaart en handel op het Oostzeegebied brachten meer rijkdom op dan de Verenigde Oost-Indische Compagnie.

Al met al legde de Oostzeehandel de basis voor de rijkdom van de Gouden Eeuw. Zo werd in 1636 een raming gemaakt van de Europese invoer in Amsterdam. Die had op dat moment een waarde van 30 miljoen gulden. Het aandeel van de Oostzee daarin was 12,5 miljoen: meer dan 40 procent. Daarnaast waren Noorwegen, Noord-Rusland en Noord-Duitsland goed voor nog eens 5 miljoen, oftewel 10 procent. Meer dan de helft van de in 1636 in Amsterdam aangevoerde producten was dus afkomstig uit de Baltische regio.

De Baltische handel was in de eerste helft van de zeventiende eeuw dan ook de belangrijkste bron van rijkdom van de Hollanders, en vooral van de Amsterdamse kooplieden. Dat vertaalde zich in politieke macht. Veel handelaren waren ook regenten. Cornelis vormde daarop geen uitzondering. In 1582 wordt hij benoemd tot schepen, en in 1583 en 1586 werd hij herkozen. In 1584 trad Cornelis bovendien toe tot de vroedschap, een positie die hij tot het einde van zijn leven innam. Bovendien werd hij meerdere malen afgevaardigd naar de gewestelijke Staten van Holland en was hij van 1589 tot 1601 lid van de Gecommitteerde Raden (het dagelijks bestuur) van Holland en West-Friesland.

Daar bleef het echter niet bij. In 1588 werd hij gekozen tot burgemeester van Amsterdam, een van de belangrijkste ambten in de Republiek. Cornelis viel in de smaak: hij werd elfmaal herkozen, voor het laatst in 1610. Cornelis Pietersz. Hooft verdient in de handel met het Oostzeegebied een fortuin. De nalatenschap wordt bij zijn overlijden in 1626 geschat op 321.500 gulden. Hij zou er vandaag de dag moeiteloos de Quote-500 mee halen.

Meer informatie
Wie naar informatie zoekt over de Oostzeehandel, begint bij Jonathan Israels The Dutch Republic. It's Rise, Greatness and Fall 1477-1806 (1995) en Maarten Praks Gouden Eeuw. Het raadsel van de Republiek (2002). Een mooie inkijk biedt ook A.Th. van Deursen, De last van veel geluk. De geschiedenis van Nederland 1555-1702 (2004). Onmisbaar is Milja van Tielhof, The 'Mother of all Trades'. The Baltic Grain Trade in Amsterdam from the Late 16th to the Early 19th Century (2002). Uit dit boek is ook de informatie over Cornelis Pietersz. Hooft in dit artikel afkomstig.

Het meest toegankelijke, rijk geïllustreerde en leesbare werk is een artikel van J. Thomas Lindblad, 'Nederland en de Oostzee 1600-1850', te vinden in Remmelt Daalder e.a. (red.), Goud uit graan. Nederland en het Oostzeegebied 1600-1850 (1998). In Kees Zandvliet, De 250 rijksten van de Gouden Eeuw. Kapitaal, macht, familie en levensstijl (2006) staat een korte schets van het leven van Cornelis Pietersz. Hooft.





 
 
 

Shortlist Libris Geschiedenis Prijs 2014 bekend

De shortlist met vijf genomineerden voor de Libris Geschiedenis Prijs 2014 is vandaag bekendgemaakt in de Volkskrant  en op www.librisgeschiedenisprijs.nl.
 

Lees verder

Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat