Stille getuigen
Algemeen
De kei van Everard MeysterHN nr. 2/2004
Door: Marcel Broersma
De geschiedenis laat haar sporen na. Monumenten, voorwerpen en graven herinneren aan bijna vergeten personen. Hun verhaal wordt hier verteld. Deze keer de kei van Everard Meyster (1617-1679) aan de stadsring in Amersfoort. Een vrolijke optocht naderde op pinksterdinsdag 7 juni 1661 de stad Amersfoort. Voorop reed jonker Everard Meyster. Trompetters en een groot aantal ruiters en koetsen vergezelden hem. Daarachter kwam een grote groep burgers te voet. Ze trokken aan touwen een slee voort. Op de slee lag een reusachtige steen van meer dan zevenduizend kilo, versierd met een sjerp vol allegorische voorstellingen. Boven op de kei balanceerde een heraut die de trekkers aanmoedigde De hele stad was uitgelopen om het festijn te zien en om zich te laven aan het gratis bier en de krakelingen waarop Meyster trakteerde. Bovendien werden met gulle hand herinneringspenningen rondgedeeld. Het was een wonder dat slechts één persoon gewond raakte. Hij kwam onder de slee en verloor zijn benen.
Everard Meyster, de aanstichter van deze carnavaleske vertoning, was een katholieke landjonker met een onaangepaste levenswandel. Hij schreef satirische kluchten en 'drollige rymen', waarin hij de ijdelheid en andere ondeugden van zijn medeburgers hekelde. Ze werden in de literatuurgeschiedenis beoordeeld als 'onsamenhangende beschouwingen in duistere taal'. Van zijn landgoed Nimmerdor, even buiten de stad, maakte Meyster een cultureel centrum, zo beweren zijn biografen Dianne Hamer en Wim Meulenkamp. Tal van 'schuymers en tafel-vrienden' zouden zich daar op zijn kosten hebben laten vollopen.
Hier is waarschijnlijk het plan geboren om zijn medeburgers de kei vanaf de Amersfoortse berg binnen de poorten te laten slepen. Meyster zou met zijn makkers voor drieduizend gulden hebben gewed dat hij de Amersfoorters zo gek zou krijgen. In de onderneming zat een dubbele bodem. Het woord 'kei' betekende namelijk ook 'gek' of 'krankzinnig'. Daarom zouden de stedelingen met de kei in feite hun eigen dwaasheid voortslepen. In een strooibiljet riep Meyster iedereen op te komen kijken naar al deze 'keysche gecken'.
In latere jaren zouden de Amersfoorters zich over dit festijn nog wel eens achter de oren krabben. Zij kwamen in de Republiek te boek te staan als 'keientrekkers'. In tal van gedichten en pamfletten werden ze bespot. Als moderne Sisyfussen hadden de Amersfoorters met de enorme steen lopen zeulen. 'De wereld is een key vol gecken, die aen haer eygen dwaesheyd trekken,' dichtte Meyster spottend. Een jaar na de stunt lichtte hij zijn hielen naar Utrecht, alwaar hij plannen smeedde om deze stad door middel van een kanaal met de Zuiderzee te verbinden.
Ondertussen zat Amersfoort mooi in zijn maag met de enorme steen. Zelfs vreemdelingen, zoals de Florentijnse vorst Cosimo de Medici, barstten bij het aanschouwen van de kei in lachen uit. Ten einde raad besloot het stadsbestuur in 1672 het gevaarte maar van zijn voetstuk te halen en te begraven onder de Varkensmarkt.
Daar bleef de kei eeuwenlang liggen. Pas toen in 1859 een gasleiding werd aangelegd, kwam hij even boven de grond. De gekte sloeg pas in 1903 weer echt toe. De plaatselijke oudheidkundige vereniging besloot toen, onder meer met geldelijke steun van koningin-moeder Emma, de steen weer op te graven. Maar waar lag hij precies? Na dagen graven was de Varkensmarkt een gatenkaas, totdat het bekende volkstype Spekkie een kreet slaakte: 'Jonges, doar istie!'
Sindsdien prijkt de kei weer op zijn voetstuk. Amersfoort ziet hem nu als een probaat middel om zich te profileren. Elk jaar in september vinden nu de keistadfeesten plaats, met muziek, theater en natuurlijk bier. Zoals Everard Meyster in 1661 dichtte: 'Wy sullender met singen, met danssen, en met springen, ter eeren uwer al, verheffen een geschal.'