Alle themapagina's

Kamerleden kiezen de beste en de slechtste minister-president van de twintigste eeuw

Algemeen - Politieke geschiedenis

Door: Frans Smits en Bas de Jong

HN nr. 2/2002De ware liberaal, en de illusionist van de maakbare samenleving

Na de verkiezingen voor de Tweede Kamer op 15 mei is Wim Kok minister-president af. Welke indruk heeft hij nagelaten in vergelijking met de andere minister-presidenten van de twintigste eeuw. Alle Eerste en Tweede Kamerleden konden de beste en de slechtste minister-president van de vorige eeuw kiezen . ‘Kok staat voor een oersaaie en bovenal inhoudelijk onjuiste politiek.’
De verkiezingen voor de Tweede Kamer op 15 mei beloven spannend te worden. Dreigt er een politieke aardverschuiving? Zal Paars zijn meerderheid verliezen en Pim Fortuyn een eclatante overwinning boeken, net als bij de verkiezingen voor de gemeenteraden? Een ding is zeker: na de verkiezingen verlaat de laatste minister-president van de vorige eeuw, Wim Kok, zijn functie. Kok heeft geschiedenis geschreven. Tot zijn miskleunen behoort het drama van Srebrenica en de opmars van Pim Fortuyn, die aan hem, als boegbeeld van Paars, wordt toegeschreven. Tot zijn hoogtepunten behoort het voorzitterschap van de Europese Unie in 1997 en de bejubeling door president Clinton als vader van het poldermodel.
        Hoe brengt Kok het er vanaf als we hem vergelijken met de andere twintig premiers van Nederland in de twintigste eeuw? Die vraag legden we voor aan alle leden van de Eerste en de Tweede Kamer. We vroegen hen: wie vindt u de beste en wie de slechtste minister-president van de twintigste eeuw? Om hun geheugen op te frissen voegden we een lijst bij van alle premiers met een korte politieke biografie.
        ‘Dit is een doortrapte poging de historische kennis van de politieke goegemeente weer eens te testen’, liet politiek commentator van Trouw Hans Goslinga ons weten. In zekere zin heeft hij gelijk. De keuze van de beste en de slechtste premier zegt iets over de historische kennis van de leden van het parlement, maar het zegt ook iets over hun historisch inzicht en hun beoordeling van de politieke actualiteit. Trude Maas-de Brouwer, Eerste Kamerlid van de PvdA, formuleert het zo: ‘Het beeld verschuift voortdurend en is afhankelijk van de politieke bril en de tijd. In die zin zijn deze lijstjes pas echt leuk als je de beweging door de tijd er zichtbaar meemaakt. Over tien jaar zien we het vast weer anders…’
        Een aantal parlementaire journalisten en politieke commentatoren waarschuwden dat de uitslag van het onderzoek weinig verrassend zou zijn – een onderzoek dat plaatshad nog voor de dramatische uitslag van de gemeenteraadsverkiezingen. Bas Soetenhorst van Het Parool: ‘Als je de huidige Kamerleden benadert durf ik te voorspellen dat Wim Kok als winnaar uit de bus komt.’ Anderen wezen erop dat de functie van minister-president in de twintigste eeuw sterk is veranderd.
        Dat is juist. Het ministerie van Algemene Zaken bestaat pas sinds 1937, toen Colijn het invoerde. Vanaf die tijd is de minister-president meer en meer leider geworden van het kabinet, coördinerend en richtinggevend. Maar dat sluit een vergelijking niet uit. De gereformeerde historicus G. Puchinger schrijft in zijn Nederlandse minister-presidenten van de twintigste eeuw (1984): ‘Zoals de opeenvolgende pausen de ruggengraat vormen van de geschiedenis van de rooms-katholieke kerk, zo zijn onze minister-presidenten dit in feite voor onze vaderlandse politieke geschiedenis van de laatste anderhalve eeuw.’

Zwarte bladzijde
Van de 225 Kamerleden hebben er 200 gereageerd. Van hen hebben er 110 (49 procent van de Kamerleden) een lijstje ingeleverd, de anderen wilden om verschillende redenen niet meedoen. De deelname per politieke partij is als volgt: PvdA 57 procent, VVD 44 procent, CDA 43 procent, D66 39 procent, Groen Links 58 procent, SP 43 procent, SGP 20 procent, Christen Unie 44 procent en de Onafhankelijke Senaatsfractie 100 procent. Dit betekent dat er een lichte oververtegenwoordiging is van de linkse partijen.
        Een aantal minister-presidenten wordt helemaal niet genoemd door de Kamerleden, niet als beste en ook niet als slechtste: Abraham Kuyper (minister-president van 1901-1905), Theodor de Meester (minister-president van 1905-1908), Theo Heemskerk (minister-president van 1908-1913) en Louis Beel (minister-president van 1946-1948 en 1958-1959). Verbaasd over de afwezigheid van Kuyper, ‘de Geweldige’? Zijn minister-presidentschap was zeker geen succes. Ook geen fatale mislukking. Hij staat dus terecht niet in de lijstjes. En Beel, ‘de onderkoning van Nederland’? Dat is minder voor de hand liggend, maar wel begrijpelijk. Beel heeft weinig aan zijn pr gedaan en is daarom als ‘een sfinx, met alle onduidelijkheden van dien’, zoals minister-president Josef Cals ooit opmerkte, de geschiedenis ingegaan.

Wie zijn er op de lijst van de slechtste minister-president terechtgekomen? De achtste plaats wordt gedeeld door vier personen die elk één maal genoemd worden: Josef Cals (minister-president van 1965-1966), Willem Schermerhorn (minister-president van 1945-1946), Barend Biesheuvel (minister-president van 1971-1973) en Willem Drees (minister-president van 1948-1951, 1951-1952, 1952-1956, 1956-1958). Schermerhorn dankt zijn plek op deze lijst aan Kars Veling, Eerste Kamerlid voor de Christen Unie en lijsttrekker van die partij voor de verkiezingen van de Tweede Kamer: ‘In de belangrijke naoorlogse jaren was Schermerhorn duidelijk niet de leider die Nederland nodig had. Hij bleek geen greep op het landsbestuur te kunnen krijgen.’ Drees werd gekozen door Eerste Kamerlid van Groen Links Sam Pormes: ‘Hij is verantwoordelijk voor het sturen van militairen naar het voormalige Indië en dat vlak na de Tweede Wereldoorlog. Een zwarte bladzijde in onze geschiedenis.’
        Op de gedeelde zevende plaats staan Piet Gerbrandy (minister-president van 1940-1945) en Jan de Quay (minister-president van 1959-1963) die elk tweemaal genoemd worden. Merkwaardig is dat niemand De Quay zijn leiderschap kwalijk neemt van de Nederlandse Unie, een beweging die in de beginjaren van de Tweede Wereldoorlog met de Duitse bezetter wilde samenwerken. Plaats zes wordt bezet door Victor Marijnen (minister-president van 1963-1965) en Wim Kok (minister-president van 1994-1998 en 1998-2002) die elk driemaal genoemd worden. Joop Atsma, Tweede Kamerlid van het CDA vindt dat Kok ‘te weinig keuzes heeft gemaakt’. Verder wordt hij in de ban gedaan door twee SP-Kamerleden. Harry van Bommel: ‘Sinds zijn overstap naar de politiek is Kok “de gewone man” volledig uit het oog verloren. Hij heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan de geloofwaardigheidscrisis waar de Nederlandse politiek zich momenteel in bevindt.’ En D. van Vugt, de jonge senator van de SP: ‘Kok staat voor een oersaaie en bovenal inhoudelijk onjuiste politiek.’

Casinokapitalisme
Op de vijfde plaats: Ruud Lubbers (minister-president van 1982-1986, 1986-1989 en 1989-1994) met vier stemmen: twee van Groen Links, een van de PvdA en een van de VVD. Clemens Cornielje, vice-voorzitter van de VVD-fractie in de Tweede Kamer: ‘Lubbers vertoonde onbegrijpelijk gedrag bij de overdracht van het leiderschap aan Elco Brinkman. Hierdoor is het CDA uit het centrum van de politiek verdwenen. De partij verloor twintig zetels. Zoiets was nog nooit in de geschiedenis gebeurd.’ Femke Halsema, Tweede Kamerlid van Groen Links: ‘Lubbers heeft onvoldoende tegenwicht weten te bieden aan het overwaaiende “reaganism”: het casinokapitalisme en het anti-vooruitgangsdenken. Hij is daarmee de eerste geweest die aan het fundament van de verzorgingsstaat is gaan knagen.’
        Plaats vier is voor Hendrik Colijn (minister-president van 1925-1926, 1933-1935, 1935-1937 en 1937-1939) met negen stemmen, vijf van de PvdA, twee van de VVD, een van D66 en een van Groen Links. Twee dingen worden Colijn voor de voeten geworpen: zijn brute optreden in Indië en zijn hard economisch beleid. F.M. Roscam Abbing-Bos, Eerste Kamerlid van de VVD: ‘Colijn had een naar persoonlijk verleden: het executeren van kinderen en vrouwen in Nederlands-Indië.’ Bert Middel,Tweede Kamerlid van de PvdA: ‘Hij is een symbool van hard-kapitalistisch, asociaal beleid, waarbij de rijken rijker werden en de armen genegeerd.’
        Heel wat stemmen meer, 21, zijn er voor nummer drie, Dries van Agt (minister-president van 1977-1981, 1981-1982, 1982). Hij wordt uitsluitend verguisd door links: de PvdA (15 stemmen) en Groen Links (6 stemmen). Het commentaar is emotioneel. Hillie Molenaar (PvdA): ‘Dat afschuwelijke gebrabbel van die man, die pukkel, dat roomse, paapse zelfvoldane gevoel.’ Jet Bussemaker (PvdA): ‘Een zeldzaam irritante, zelfingenomen en betweterige man.’ R. Rabbinge (PvdA): ‘Hij bedreef politiek op onwaarachtige wijze en veroorzaakte een antidemocratische tendens in de samenleving. Liet de financiën van Nederland uit de hand lopen en veroorzaakte veel schade aan de Nederlandse positie in het buitenland.’ Paul Rosenmöller (Groen Links): ‘Van Agt had beter echt wielrenner kunnen worden.’ Mohamed Rabbae (Groen Links): ‘Een clown. Een hofnar.’
        Nummer twee met 22 stemmen is Dirk Jan de Geer (minister-president van 1926-1929, 1939-1940). Hij wordt weggestemd door alle partijen, links en rechts. Struikelblok? Zijn zwakke optreden vlak voor en tijdens de Tweede Wereldoorlog. Hij gaf Winston Churchill te kennen dat een vrede tussen Engeland en Duitsland onontkoombaar was. Wilhelmina zette hem aan de kant, waarna De Geer vanuit Londen naar bezet Nederland vertrok. Daar schreef hij de brochure De synthese in oorlog (1942), waarin hij zijn pacifistische overtuiging uiteenzette. Na de oorlog werd hij veroordeeld tot een (voorwaardelijke) gevangenisstraf en ontslagen als minister van Staat. D.J. Wolfson, lid van de Eerste Kamer van de PvdA: ‘De Geer heeft op een historisch moment historisch gefaald.’ J.J.A.M. van Gennip, lid van de Eerste Kamer van het CDA: ‘Door zijn defaitisme tijdens de Tweede Wereldoorlog en zijn vertrek uit Londen heeft hij moraal en aanzien van Nederland ongelooflijk geschaad.’
        Kan er iemand slechter zijn dan een minister-president met zo’n beladen verleden? Op nummer één met 25 stemmen staat Joop den Uyl (minister-president van 1973-1977). Wordt Van Agt weggehoond door links, Den Uyl even fel door rechts: uit de VVD vijftien stemmen, uit het CDA acht stemmen en twee stemmen door de kleine christelijke partijen. S. Blok VVD) noemt Den Uyl ‘de illusionist van de maakbare samenleving’. J.M. Geluk (VVD): ‘Den Uyl gaf teveel geld uit aan verkeerde dingen, waardoor de nationale schuld opliep.’ T. Rietkerk (CDA): ‘Hij deed aan potverteren.’ Maar nog erger vinden de Kamerleden zijn politieke opstelling. A.J. te Veldhuis (VVD): ‘Het aanzien van het landelijk bestuur ging achteruit door het vecht-imago van Den Uyls kabinet. Hij was te weinig consensus-gericht, teveel partijpolitiek gedreven.’ Frans Weekers (VVD): ‘Den Uyl was het toonbeeld van polarisatie.’

Standvastig
Wie vindt wel genade in de ogen van de Kamerleden? De negende plaats van de lijst van de beste minister-president van de twintigste eeuw wordt gedeeld door: Charles Ruijs de Beerenbrouck (minister-president van 1918-1922, 1922-1925 en 1929-1933), Piet Gerbrandy (zevende op de lijst van de slechtste minister-presidenten), Barend Biesheuvel (acht op de lijst van de slechtste minister-presidenten) en Dries van Agt (drie op de lijst van de slechtste minister-presidenten). Allen krijgen één stem. De ene stem voor Van Agt komt van partijgenoot Annie Schreijer-Pierik: ‘Van Agt was eerlijk, betrouwbaar en betrokken.’
        De achtste plaats is voor Piet de Jong (minister-president van 1967-1971) met twee stemmen. De Jong is onlangs positief gewaardeerd in de biografie Van Buitengaans naar Binnenhof. Die herwaardering onderschrijft Marja Wagenaar, Tweede Kamerlid van de PvdA: ‘De Jong wist in een maatschappelijke roerige periode niet alleen rust en stabiliteit, maar ook vooruitgang en vernieuwing te creëren.’ De de zevende plaats delen Willem Schermerhorn (tien op de lijst van de slechtste minister-presidenten) en Hendrik Colijn (vier op de lijst van de slechtste minister-presidenten) met elk drie stemmen. Bas van de Vlies, fractievoorzitter van de SGP in de Tweede Kamer, kiest voor Colijn: ‘Hij was standvastig, gezaghebbend, ondanks alle fouten rustgevend in moeilijke crisisjaren.’
        Op zes: Jelle Zijlstra (minister-president van 1966-1967) met vier stemmen, alle afkomstig van het CDA. Gerda Verburg: ‘Geen premier uit roeping en daardoor iemand die dienend en doorzichtig beleid voerde. Zijlstra durfde te zeggen dat soms moeilijke maatregelen nodig waren.’
        Op de vijfde plaats staat Wim Kok (zes op de lijst van de slechtste minister-presidenten) met negen stemmen. Die komen vrijwel allemaal van de PvdA; Kok krijgt één stem van de VVD (Tweede Kamerlid Otto Vos). Johan Stekelenburg (Pvda): ‘Kok is erin geslaagd de tegenstelling tussen liberalisme en sociaal-democratie te overbruggen.’ Frans Timmermans (PvdA): ‘Hij gaf mede leiding aan het vernieuwen van het Nederlandse overlegmodel. Heeft de staatsfinanciën gesaneerd, zeer veel werkgelegenheid tot stand gebracht en een belangrijk bijdrage geleverd aan de Europese samenwerking.’
        Ruud Lubbers (vijf op de lijst van de slechtste minister-presidenten) overtroeft Wim Kok. Hij bezet de vierde plaats met elf stemmen en die komen bijna allemaal van het CDA. C. Cörüz, nu Tweede Kamerlid, zegt vanwege Ruud Lubbers lid te zijn geworden van het CDA. M. Verhagen vat de lof van het CDA voor Lubbers samen: ‘Hij heeft de basis gelegd voor het gezond maken van de overheidsfinanciën en de Nederlandse economie. Dankzij Lubbers is de economische groei en de toename van de werkgelegenheid de laatste jaren mogelijk geweest. Ondanks forse bezuinigingen werd hij gewaardeerd door grote groepen in de samenleving.’

Monument
Joop Den Uyl, de slechtste minister-president van de twintigste eeuw staat tevens op derde plaats bij de beste minister-presidenten met achttien stemmen. Die zijn afkomstig uit linkse hoek: de PvdA (zeven stemmen), Groen Links (zeven stemmen en daarmee is Den Uyl de favoriet van deze partij) en D66 (twee stemmen). Adri Duivesteijn (PvdA): ‘Den Uyl heeft een belangrijke bijdrage geleverd aan het denken over maatschappelijke vraagstukken. Juist door de polemische vorm is hij een politicus geweest die mensen stimuleerde tot nadenken.’ Paul Rosenmöller (Groen Links): ‘Hij gaf geïnspireerd leiding aan het enige progressieve kabinet wat Nederland in de twintigste eeuw kende.’ Francisca Ravestein (D66): ‘Inspireerde velen, vriend en vijand (Bolkestein!), om politiek actief te worden.’ Aandoenlijk is dat S. Noorman-Den Uyl (PvdA), dochter van Joop, voor haar vader kiest: ‘Hij was gedreven, bevlogen, doelgericht, effectief en vernieuwend.’ Het verbaast niet dat zij als de slechtste minister-president kiest voor Van Agt: ‘ Hij vergrootte het verschil tussen arm en rijk; verkrampt, onoprecht, Nederland op zijn smalst.’ Maar, voegt Noorman-Den Uyl aan haar keuze toe: ‘Ik ben misschien te weinig objectief.’
        Willem Drees (tien op de lijst van de slechtste minister-presidenten) bezet de tweede plaats met 26 stemmen. Anders dan Den Uyl krijgt Drees stemmen vanuit het gehele politieke spectrum. Hij is nummer één bij de PvdA (11 stemmen), maar hij krijgt ook stemmen van de VVD (drie), het CDA (drie), Groen Links (vier), D66 (één), SP (één) en de Christen Unie (één). Wouter Gortzak (PvdA): ‘Drees paste qua soberheid exact in de wederopbouwperiode en loodste ons land in die moeilijke tijd naar een toen nog overzichtelijke verzorgingsstaat.’ Gerdi Verbeet (PvdA): ‘Hij gaf grote groepen mensen het vertrouwen in het vermogen van de politiek terug.’ Ernst van Splunter (VVD): ‘Drees slaagde erin een nationale politicus te worden, minder partijman en meer staatsman.’ Jos van der Lans (Groen Links): ‘Drees zag zichzelf als een publiek ambtsdrager en niet als een VIP met allerlei sterallures.’ Harry van Bommel (SP): ‘Drees is een monument in de Nederlandse politiek. Het is een schande dat de sociaal-democraten van nu zo weinig aandacht aan monumentenzorg wensen te besteden.’
        Kan er nog iemand uitstijgen boven de lof voor Drees? De beste minister-president van de twintigste eeuw met 27 stemmen is… Pieter Cort van der Linden (minister-president van 1913-1918). Hij wint dankzij Paars: twintig stemmen van de VVD en daarmee veruit de favoriet van deze partij, vijf stemmen van de PvdA en twee van D66, geen enkele stem van de oppositie. Cort van der Linden loodste Nederland door de Eerste Wereldoorlog en vond een oplossingg voor de meest heikele punten uit de negentiende eeuw: hij legde de basis voor het algemeen kiesrecht met evenredige vertegenwoordiging en pacificeerde de schoolstrijd door de financiële gelijkstelling van openbaar en bijzonder lager onderwijs. ‘Een echte liberaal, waar vind je dat nog tegenwoordig’, zegt D.J. Wolfson (PvdA). ‘Schande’, meent Erik Jurgens (PvdA), ‘dat het grote portret van zijn kabinet dat in de rookkamer van de Tweede Kamer hing is verdwenen bij de nieuwbouw in 1993.’ ‘Een ware liberaal’, zeggen de meeste VVD’ers, en ‘de laatste liberale minister-president van de twintigste eeuw, een goed voorbeeld voor de eerste liberaal van de eenentwintigste eeuw.’

Paars stempel
‘Ik ben verbaasd dat Cort van der Linden gewonnen heeft’, zegt Patrick van Schie, medewerker van de Telderstichting, het wetenschappelijk bureau van de VVD. ‘Het is wel een goede keus. Cort van der Linden is namelijk een onderschatte premier. Een echte staatsman die boven de partijen stond.’
        ‘Ach nee wat vreselijk’, roept Anet Bleich, biografe van Joop den Uyl, als ze hoort dat hij als slechtste minister-president uit de bus is gekomen. ‘Er zijn een aantal mythes over hem ontstaan na zijn aftreden. Zo zou hij een gat in zijn hand hebben gehad, terwijl het echte begrotingstekort onder Van Agt en Wiegel is ontstaan. De eerste plaats voor Den Uyl heeft waarschijnlijk veel te maken met de tijdsgeest.’
        De uitslag van het onderzoek heeft duidelijk een paars stempel: de uitverkiezing van Cort van der Linden, iemand die afstanden tussen de partijen wist te overbruggen, en het grote verlies van Joop den Uyl, iemand die partijen en personen niet bij elkaar wist te houden.
        Joop den Uyl is de meest controversiële minister-president van de twintigste eeuw. Hij wordt door erg veel Kamerleden verafschuwd (die van de VVD en het CDA) en door erg veel Kamerleden gewaardeerd (van de PvdA, maar relatief het meest van Groen Links). De voorkeur van PvdA-Kamerleden gaat uit naar Drees, maar ook naar Cort van der Linden. Dat Cort van der Linden Drees verslaat als beste minister-president en dat Den Uyl nog boven De Geer eindigt, die fout in de oorlog was – en wat is er doorgaans erger in Nederland? – betekent dat de Eerste en de Tweede Kamer weinig vertrouwen hebben in de maakbaarheid van de samenleving, nog zo’n kenmerk van Paars.
        Volgens Elske ter Veld, Eerste Kamerlid van de PvdA, ‘wil Kok graag herinnerd worden als Drees’. Maar Kok laat bij de Kamerleden weinig indruk na. Een schamele vijfde plaats bij de beste minister-president van de twintigste eeuw. Een plek die hij ook nog vrijwel geheel dankt aan de Kamerleden van zijn eigen partij. Veel afschuw heeft hij ook niet opgeroepen, gezien zijn plek op plaats zes bij de slechtste minister-presidenten. In vergelijking met andere minister-presidenten laat Kok de Kamerleden onverschillig.


De Slechtste
1. Den Uyl (25)
2. De Geer (22)
3. Van Agt (21)
4. Colijn (9)
5. Lubbers (4)
6. Kok, Marijnen (6)
7. Gerbrandy, De Quaay (2)
8. Biesheuvel, Drees, Cals, Schermerhorn (1)

De Beste
1. Cort van der Linden (27)
2. Drees (26)
3. Den Uyl (18)
4. Lubbers (11)
5. Kok (9)
6. Zijlstra (4)
7. Colijn, Schermerhorn (3)
8. De Jong (2)
9. Ruijs de Beerenbrouck, Gerbrandy, Biesheuvel, Van Agt (1)





 
 
 
Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat