Alle themapagina's

Juliana en de Vier van Breda

Door: Jaco AlbertsHN nr. 2/2013

2/2013

152 oorlogsmisdadigers worden na de oorlog ter dood veroordeeld. Maar het kabinet-Schermerhorn-Drees vreest dat de bevolking te veel executies niet zal kunnen dragen en roept op tot ‘terughoudendheid’. Toch komt Drees in conflict met koningin Juliana. Zij ontwikkelt, al dan niet onder invloed van Greet Hofmans, een steeds grotere aversie tegen de doodstraf.

‘Zojuist! … Zo - juist! …’ Vanaf het balkon van het Koninklijke Paleis probeert koningin Juliana op 30 april 1980 uit te komen boven het rumoer op de Dam. Betogers fluiten en joelen. ‘… heb ik afstand gedaan van de regering.’ Op het plein ontploft een rookbom, een protest tegen de woningnood. ‘Ik stel u hier Beatrix voor, uw nieuwe koningin.’

Of ze ook kijken naar de televisie, weten we niet. Maar in de koepelgevangenis in Breda zitten op dat moment – vijfendertig jaar na de oorlog – nog twee bejaarde Duitse oorlogsmisdadigers gevangen: Ferdinand Aus der Fünten en Franz Fischer, verantwoordelijk voor de deportatie van tienduizenden Joden uit Amsterdam en Den Haag. Ze hebben hun leven te danken aan de vertrekkende koningin, die even later op datzelfde balkon door Beatrix geroemd wordt om haar ‘wijsheid’ en ‘medemenselijkheid’.

In juli 1950 waren beide oorlogsmisdadigers door de Bijzondere Raad van Cassatie ter dood veroordeeld, maar Juliana weigerde haar medewerking te verlenen aan de uitvoering van deze doodvonnissen. ‘Persoonlijk’ had minister Struycken van Justitie de Duitsers naar eigen zeggen wel willen ‘doodtrappen’, maar na maandenlang getouwtrek ging hij ermee akkoord gratie te verlenen.

De precieze rol van Juliana bij het verlenen van gratie aan oorlogsmisdadigers is al decennialang een geliefd thema voor speculatie. Het blijkt uiterst gevoelige materie. Dat ondervond ook ‘rijksgeschiedschrijver’ Loe de Jong, die in 1987 bij het werk aan ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ bij deel XII, de epiloog, was aanbeland.

De tekst over de berechting van oorlogsmisdadigers had hij tevoren aan prinses Juliana voorgelegd, wat hem prompt een uitnodiging in het Torentje van premier Lubbers opleverde. Lubbers had vele nuanceringen. En of hij toch alsjeblieft niet ‘Zachte heelmeesters maken stinkende wonden’ wilde opschrijven. De Jong vond het best. ‘Zulk een conclusie’ kon wel aan de lezer worden overgelaten, vond hij.

Die ‘stinkende wonden’ sloegen op de ‘Vier van Breda’. Vanaf de jaren zestig klonk veelvuldig de vraag hoe lang de laatste oorlogsmisdadigers nog moesten worden vastgehouden. Ministers van Justitie deden voorstellen tot vrijlating. Maar telkens leidde de discussie daarover weer tot zoveel ergernis, woede en pijn dat het kabinet ervan afzag. Totdat pas op vrijdag 27 januari 1989 de laatste twee – de inmiddels 87-jarige Fischer en de 79-jarige Aus der Fünten – naar hun Duitse woonplaatsen terugkeerden. Binnen het jaar waren ze dood.

De berechting van oorlogsmisdadigers in Nederland na de oorlog verdient op z’n zachtst gezegd geen schoonheidsprijs. Vooral uitvoerders werden zwaar bestraft; beleidsmakers ontsprongen de dans of kregen veel lichtere straffen.
Die ‘rechtsongelijkheid’ werd vervolgens nog eens vergroot doordat koningin Juliana op een tamelijk persoonlijke manier gebruikmaakte van haar recht terdoodveroordeelden gratie te verlenen. Zelfs verklaarde tegenstanders van de doodstraf vroegen zich naderhand openlijk af of het niet beter ware geweest als er van de 152 ter dood veroordeelde oorlogsmisdadigers niemand gratie had gekregen.

Juliana’s moeder koningin Wilhelmina had het liefst gezien dat oorlogsmisdadigers met hun gezinnen naar de Sovjet-Unie werden gedeporteerd, om daar als dwangarbeiders hun dagen te slijten. Maar ze stemt erin toe dat al tijdens de ballingschap in Londen wetgeving tot stand komt om de misdaden later in Nederland te kunnen berechten.

En zo worden na de bevrijding in totaal zo’n 150.000 mensen gearresteerd op uiteenlopende verdenkingen. De meest lichte gevallen komen snel vrij, maar voor de overigen stelt de regering negentien tribunalen, vijf bijzondere gerechtshoven en een Bijzondere Raad van Cassatie in. Met als ultiem vonnis: de doodstraf, die eigenlijk in 1870 was afgeschaft.

Als eerste prominent staat nazipropagandist Max Blokzijl voor zijn rechters. De NSB-leiding geniet topprioriteit. Zowel het Hof als de Raad voor Cassatie spreekt de doodstraf uit en op 16 maart 1946 sterft de radiojournalist op de Waalsdorper Vlakte voor het vuurpeloton. Anton Mussert volgt op 7 mei. ‘Mussert was zichtbaar zenuwachtig, maar hield zich flink,’ schrijft aanklager Zaaijer, die aanwezig is bij de executie. ‘Wilde met alle geweld zijn jas, colbert en vest uittrekken. Geen blinddoek. Stak tot het laatst toe zijn neus in de lucht. Met een enkel salvo was Anton Mussert dood.’

Maar het kabinet-Schermerhorn-Drees maakt zich zorgen. De ministers vrezen dat de bevolking te veel executies op den duur niet zal kunnen dragen. Daarom neemt het kabinet nog voor de dood van Blokzijl ‘geheime richtlijnen’ aan waarin opgeroepen wordt tot ‘grote terughouding’ bij de daadwerkelijke uitvoering van de doodstraf. ‘Enkele tientallen’ executies moeten genoeg zijn.

Het is de koningin die daarbij moet helpen. Van oudsher komt haar het recht toe gratie te verlenen aan terdoodveroordeelden. Sinds de grondwet van 1848 vergt zo’n besluit ook de handtekening van de minister van Justitie, maar in samenspraak met het staatshoofd.

Wilhelmina aanvaardt de ‘geheime richtlijnen’, maar voelt in veel gevallen niet voor gratie. Ze laat de verzoeken die de minister van Justitie haar voorlegt soms maandenlang onbeantwoord op haar bureau liggen en kapittelt haar kabinet om ‘verschijnselen, welke duiden op verslapping’.

Die vertragingstactiek werkt niet in het voordeel van de oude vorstin: hoe langer een gratiebesluit op zich laat wachten, hoe moeilijker het wordt om de doodstraf alsnog te voltrekken. Zelfs oorlogsmisdadigers kan men op humanitaire gronden niet te lang over hun lot in onzekerheid laten.
Daarom gaat Wilhelmina overstag. Als zij in september 1948 als koningin terugtreedt, zijn er 21 mannen en een vrouw gefusilleerd en heeft ze 50 gratieverzoeken ingewilligd.

Juliana is een andere koningin. Hoewel ze de oorlog natuurlijk ook aan den lijve heeft ondervonden, is ze persoonlijk minder betrokken geweest bij de strijd tegen de Duitsers dan Wilhelmina. Maar belangrijker wellicht: ze bezit een milder karakter. Uit briefwisselingen in de oorlogsjaren blijkt dat Juliana haar moeder erop aanspreekt dat ze zo snoeihard over mensen oordeelt.

‘Juliana was hartelijk, betrokken, meelevend, onzelfzuchtig en op een bijna verpletterende manier eenvoudig en gewoon,’ schrijft haar biograaf Cees Fasseur. Tegen het koningschap ziet ze op als tegen een berg. Ze citeert Mozes in haar aanvaardingsrede: ‘Wie ben ik, dat ik dit doen mag?’

Juliana’s mildheid heeft ongetwijfeld een rol gespeeld bij haar opvattingen over de doodstraf. Een principiële tegenstander is ze niet; in haar regeringsperiode krijgen nog achttien oorlogsmisdadigers de kogel. Maar het is duidelijk dat ze een steeds grotere weerzin tegen het uitvoeren van doodvonnissen ontwikkelt. Tegen de kerst van 1948 – ze is nog maar drie maanden koningin – oefent ze al persoonlijk druk uit om ‘de ter dood veroordeelde politieke delinquent B.’ gratie te kunnen verlenen. Dat lukt.

In het jaar dat volgt rijdt er elke maand bij het krieken van de dag wel een gevangenenbusje naar een afgelegen plek ergens in Nederland waar een vuurpeloton wacht. Twaalf mannen worden in 1949 geëxecuteerd. Vooral Nederlandse SD’ers die moordpartijen op hun geweten hebben, maar ook de eerste twee Duitsers: Karl Peter Berg, de wrede commandant van Kamp Amersfoort, en Hanns Albin Rauter, de hoogste SS’er in Nederland.

Behalve Rauter zijn het vooral uitvoerders van gruweldaden. Niet de organisatoren van de oorlogsmisdaden. Die staan dan nog voor hun rechters. Hun processen zijn complexer; hun betrokkenheid is juridisch lastiger aan te tonen. Het Openbaar Ministerie is dus later aan hun zaken begonnen. In veel gevallen zal het hun redding betekenen.

Op 12 juli 1950 krijgt Franz Fischer in hoger beroep de doodstraf. Eerder was dat levenslang. Hetzelfde geldt voor Ferdinand Aus der Fünten, die bij de ‘duivelse vervolging’ van Joden volgens het vonnis ‘op zo stuitende wijze persoonlijk een rol heeft gespeeld’. Ook hun directe chef Willy Lages krijgt de doodstraf, maar voor hem was dat een bevestiging van een eerder vonnis. Merkwaardig genoeg komt hun meerdere, SD-Befehlhaber Wilhelm Harster, weg met slechts twaalf jaar cel.

Intussen krijgt koningin Juliana steeds meer moeite met de doodstraf. Of dat gebeurt onder invloed van gebedsgenezer en ziener Greet Hofmans is moeilijk aan te tonen, maar wel aannemelijk. In het Koninklijk Huisarchief worden vele tientallen ‘doorgevingen’ van Hofmans aan Juliana in de periode tussen 1949 en 1956 bewaard. Meestal zijn het ‘vage gedachten over de wereldvrede, de hulp aan vluchtelingen en het hogere’, zoals Fasseur ze omschrijft.

Maar Juliana heeft onmiskenbaar het gevoel met een hogere opdracht bezig te zijn: ‘Mee te mogen doen voor Gods grote werk, speciaal in deze vruchtbare tijd,’ zo schrijft ze in de zomer van 1950 over de inspiratie die ze uit haar contacten met Hofmans put, ‘is wat ons boven alle aardse narigheid en diep verdriet uit kan heffen.’ Hoe vaag ook, het zijn denkbeelden waarin vrede en geweldloosheid de boventoon voeren.

Een sadistische moordenaar als Robert Lehnhoff kan niet op Juliana’s clementie rekenen. De ‘Beul van Groningen’ is berucht om folteringen en verkrachtingen in het Groningse Scholtenhuis en wordt op 24 juli 1950 terechtgesteld. ‘Mach es schnell,’ zou Lehnhoff oog in oog met zijn vuurpeloton nog hebben geroepen: ‘Jedenfalls tut es weniger Weh als beim Zahnartzt.’

Beslissingen over Fischer en Aus der Fünten wil Juliana echter niet nemen. Die bleven ‘maar bij de koningin liggen, zelfs na herhaaldelijke verzoeking om de afwijzing van deze gratieverzoeken te tekenen’. Aldus minister Struycken van Justitie twintig jaar later. Het is dezelfde vertragingstactiek als Wilhelmina gebruikte, maar nu doeltreffender. De nieuwe koningin beoogt immers het tegenovergestelde. Door de vertraging wordt de kans dat de doodstraf nog voltrokken wordt steeds kleiner.

‘Ik voelde toen voor het eerst, dat de Kroon niet helemaal formaliteit is in ons staatsbestel,’ aldus de minister, ‘en dat bij gewichtige zaken, waar de Kroon een standpunt zou willen innemen, dit door weigering zou kunnen afdwingen.’ Tegenover premier Drees legt Juliana haar dilemma uit: ‘U draagt wel de politieke verantwoordelijkheid, maar als ik een besluit teken, draag ik toch moreel ook verantwoordelijkheid voor de gevolgen van dat besluit.’

Zelf is Struycken ook niet afkerig van gratie als instrument van barmhartigheid. De minister is afkomstig uit de Katholieke Volkspartij (KVP) en in januari heeft de paus er nog toe opgeroepen oorlogsmisdadigers te vergeven. Struycken laat grote groepen veroordeelde oorlogsmisdadigers vervroegd vrij. ‘Het hek is nu wel van de dam,’ staat er in kritische beschouwingen.

Maar daarbij gaat het om lichtere misdrijven. Voor zware gevallen kan Struycken die barmhartigheid moeilijker opbrengen. In januari 1951 stelt de minister een compromis voor, dat de koningin met moeite accepteert: gefusilleerd worden alleen de terdoodveroordeelden die twee keer de doodstraf hebben gekregen, dus in eerste aanleg én in hoger beroep.

Voor Fischer en Aus der Fünten betekent dat gratie, want die hadden aanvankelijk levenslang. Juliana wil ook het leven sparen van Julius Herdtmann, de leider van Nederlandse nazi’s in Duitsland die in de meidagen van 1940 een verraderlijke rol hadden gespeeld. Maar dat accepteert Struycken niet: Herdtmann is twee keer ter dood veroordeeld. De minister maakt Juliana volgens zijn eigen herinnering duidelijk dat hij ‘al heel ver was gegaan om Harentwille’ en dat hij ‘de politieke verantwoordelijkheid slechts vanuit een verdedigbare stelling kon dragen’. Juliana geeft toe en op 26 januari wordt Herdtmann gefusilleerd.

Ondanks de ‘verdedigbare stelling’ zorgt de gratieverlening aan Fischer en Aus der Fünten voor veel beroering. Vooral in Joodse kring komt de klap hard aan. ‘Diep gekwetst en beledigd’ is het Nieuw Israëlitisch Weekblad. ‘Achter veel woorden gaat thans schuil dat ene, door niets verzachte feit dat H.M. de koningin, die reeds vele doodvonnissen heeft bekrachtigd, dit op advies van Haar regering jegens het moordenaarstuig dat onze mensen vermoordde niet heeft gedaan.’

In maart verlaat Struycken zijn post. Het eerste kabinet-Drees maakt plaats voor het tweede en op Justitie treedt Hendrik Mulderije van de CHU aan als minister. Hij is kritisch op het beleid van zijn voorganger en wil zich niet zo makkelijk neerleggen bij een ruimhartige gratieverlening. Op tafel ligt het gratieverzoek van Willy Lages – tot twee keer toe ter dood veroordeeld. Dat wil hij niet inwilligen. Nog meer dan Aus der Fünten en Fischer is Lages de verpersoonlijking van de deportatie van Joden uit Nederland.

De behandeling duurt dan al erg lang. Dat komt door een nieuw feitenonderzoek waar de koningin om heeft gevraagd. Maar ook door de hulp die Lages zou bieden aan een onderzoek van het Openbaar Ministerie naar mishandeling van verdachte oorlogsmisdadigers.

Er heerst twijfel. Is er al niet te lang gewacht met de executie? Toch adviseert de Bijzondere Raad van Cassatie in september 1951 in meerderheid het doodvonnis uit te voeren. Belangrijkste argument: gratie zou onrechtvaardig zijn ten opzichte van wél geëxecuteerde oorlogsmisdadigers met minder op hun kerfstok. Het kabinet-Drees neemt het advies over en vraagt de koningin beleefd haar handtekening te zetten.

Juliana is dat echter niet van plan. Fasseur schrijft dat hij geen aanwijzingen gevonden heeft dat Hofmans een rol heeft gespeeld bij het verzet van de koningin tegen de executie van Lages. Hij vindt dat verzet ‘goed te begrijpen’. Er waren diverse juridisch adviseurs die daar net zo over dachten. Daar had Juliana in de ogen van haar biograaf geen ‘wenken van Hofmans voor nodig’.

Toch wordt dat verband expliciet gelegd door de minister-president zelf. Tijdens de kabinetsformatie van 1956 zegt Drees volgens de aantekeningen van CHU-leider Tilanus over de rol van Hofmans aan het hof: ‘Beïnvloeden Koningin. geen directe staatk. moeilijkheden. Wel met de gratieverlening van Lages.’

Drees voelt zich in toenemende mate ongelukkig met het optreden van Juliana. En dat heeft niet alleen met de zaak-Lages te maken. Onder invloed van Hofmans is de koningin zich gaan inzetten voor ‘geestelijke vredesconferenties’ in Het Oude Loo, waarvoor tientallen binnen- en buitenlandse gasten worden uitgenodigd. Tijdens de eerste bijeenkomst spreekt Juliana er zelf over het gevaar van de atoombom ‘als onrustbarend resultaat van het menselijk vernuft’. Pacifistische thema’s die niet onmiddellijk in overeenstemming zijn te brengen met de Atlantische politiek die de regering in de Koude Oorlog voert.

Bij een tweede conferentie in november is Eleanor Roosevelt, de weduwe van de vroegere Amerikaanse president, te gast. Ook Drees en minister Mulderije zijn expliciet uitgenodigd, maar ze blijven demonstratief weg. Net als prins Bernard trouwens. Drees maakt de koningin duidelijk dat het kabinet haar betrokkenheid bij dit soort conferenties niet kan waarderen.

In januari 1952 bespreekt het organiserend comité van de conferenties in aanwezigheid van Juliana de bezwaren van de premier. De koningin wil zich niet door Drees laten muilkorven. De sfeer is ruzieachtig en deelnemers lopen van tijd tot tijd de trap op naar de slaapkamer waar een uitgeputte Greet Hofmans in bed haar ‘doorgevingen’ uitspreekt.

In deze dagen ligt ook het gratieverzoek van Lages weer op het bureau van Juliana. Herhaaldelijk vraagt minister Mulderije de koningin om het af te wijzen. Telkens stuurt Juliana aan op uitstel. Een advies van Marie Anne Tellegen, de directeur van het Kabinet der Koningin, steunt de opstelling van Juliana omdat er twijfel zou zijn over de rol van Lages. Maar het kabinet stelt dat de rechter de feiten bewezen heeft verklaard en wil uitvoering van het vonnis.

In februari legt Mulderije dat verzoek opnieuw bij de koningin neer, maar die weigert weer. Dan stelt Mulderije zijn portefeuille ter beschikking. Daar steekt Drees vervolgens een stokje voor. Tegen Juliana zegt hij: ‘Wij kunnen Mulderije niet laten gaan, want wij zijn het met Mulderije eens […] dan moet het kabinet maar heen gaan.’ Daarop antwoordt Juliana: ‘Maar meneer Drees, dat hoeft toch helemaal niet, dan ga ik toch weg?’

Nederland koerst aan op een constitutionele crisis. En Drees buigt. ‘We konden bezwaarlijk […] aannemelijk maken dat een koningin troonsafstand deed omdat één Duitser niet de doodstraf kreeg, maar levenslang,’ zei de premier daarover later. ‘Er zijn tenslotte proporties die je in acht hebt te nemen.’ De beslissing over Lages wordt opnieuw uitgesteld, nu met het doel om er afstel van te maken. Een volgende minister zal Lages gratie verlenen.

Toch worden op 21 maart 1952 nog twee laatste executies uitgevoerd. Daartegen verzet Juliana zich niet. Een van de twee is de Nederlander Andries Pieters, een SS’er die in de laatste oorlogsweken nog met groot fanatisme verzetslieden martelde en vermoordde. Omdat zijn doodvonnis in hoger beroep aanvankelijk was vernietigd, leeft Pieters in de veronderstelling dat hij gratie zal krijgen. Als hij hoort dat hij toch wordt doodgeschoten, ontketent hij bijna een opstand in de Scheveningse gevangenis.

De Duitser Wilhelm Artur Albrecht reageert kalmer. De SD-chef van Leeuwarden heeft bij de vele executies die hij uitvoerde altijd volgehouden dat hij in opdracht handelde. Die avond schrijft hij een brief aan zijn familie ‘om voor altijd afscheid te nemen’. Hij noemt het ‘een onbegrijpelijk lot’ dat hij de volgende ochtend ‘een soldatendood’ zal sterven. ‘Vraag me niet waarom. Dat kan ik jullie noch mezelf uitleggen.’

Meer weten

Boeken
Over de betrokkenheid van Juliana bij de gratieverlening na de Tweede Wereldoorlog is nooit een afzonderlijke studie verschenen. Wel zijn er tal van boeken waarin dit thema aan bod komt. Het standaardwerk over de Bijzondere Rechtspleging na de oorlog is van A.D. Belinfante uit 1978: In plaats van Bijltjesdag. Vanzelfsprekend is ook ‘Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog’ van Loe de Jong een bron over het lot van oorlogsmisdadigers.

Cees Fasseur bespreekt in Juliana & Bernard (2008) de zaak-Lages, maar doet dat geïsoleerd van de gratieverlening aan anderen. Verhelderend is de reconstructie van de behandeling van Duitse oorlogsmisdadigers van Friso Wielenga in West-Duitsland. Partner uit noodzaak uit 1989. Zeer leesbaar is ook De Drie van Breda (2005) van Hinke Piersma, die de commotie rond de laatste oorlogsmisdadigers tot het einde toe volgt.

Over de behandeling van ‘foute’ Nederlanders schreef Peter Romijn in Snel, streng en rechtvaardig (1989). Wie meer wil weten over de verhouding tussen minister-president Drees en Juliana leest Drees en Soestdijk (2006), waarin Hans Daalder de oud-premier ook over de zaak-Lages aan het woord laat.

Internet
Zeer de moeite waard is de aflevering van Andere Tijden over de executie van de laatste twee oorlogsmisdadigers in Nederland en de rol van Juliana, uitgezonden onder de titel De laatste doodstraf op 6 december 2005, te vinden via www.geschiedenis24.nl. Van het proces tegen Rauter bestaat een gefilmd verslag dat te zien is op www.beeldengeluid.nl. Meer informatie over executies van oorlogsmisdadigers en hun graven is te vinden op www.dodenakkers.nl onder ‘De verzwegen graven van de oorlog’.






 
 
 

​Bekijk nu: genomineerden Libris Geschiedenis Prijs over hun boeken


Lees verder

Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat