Alle themapagina's

Met frisse tegenzin op naar Europa

Door: Maarten MunsHN nr. 8/2011

Hoewel de Nederlandse bevolking en het parlement enthousiast waren over de Europese integratie, moest de regering er lange tijd niets van hebben. Uiteindelijk kwam de opmaat tot de Europese Unie er toch – dankzij een voorstel van de Nederlandse minister van Buitenlandse Zaken Beyen.

Met groot enthousiasme nam de Tweede Kamer op 19 maart 1948 de motie-Van der Goes/Serrarens aan. In deze motie, ingediend door PvdA’er Marinus van der Goes van Naters en Jos Serrarens van de Katholieke Volkspartij (KVP), riep het parlement de regering op hechte Europese samenwerking aan te gaan. Bovendien, zo stond in de motie te lezen, zou de regering er goed aan doen ‘gezag over te dragen aan bovennationale organen’. De motie vond steun bij vrijwel alle fracties; alleen de communistische CPN stemde tegen.

De partijloze aristocraat baron Pim van Boetzelaer, die in het eerste kabinet-Beel minister van Buitenlandse Zaken was, schrok zich een ongeluk toen hij de tekst van de motie voor het eerst aandachtig doorlas. Twee dagen daarvoor, op 17 maart 1948, had de minister het Verdrag van Brussel ondertekend. Dit was een militaire overeenkomst tussen zes West-Europese landen om het oprukkende communistische gevaar te keren en samenwerking met de Verenigde Staten te stimuleren.

Voor de conservatieve minister – en het hele kabinet – was dat voorlopig meer dan voldoende wat betreft Europese integratie. De regering was van mening dat meer Europese samenwerking zelfs ‘schadelijk was voor de internationale verhoudingen’.

Het kabinet zag niet in hoe Europa een politieke, economische of culturele identiteit kon vormen. Dat die godverlaten Kamer opriep het nationale gezag over te dragen aan onduidelijke supranationale organen was voor de minister dan ook onaanvaardbaar. Het enthousiasme dat er in het parlement, maar ook in de publieke opinie bestond voor Europese integratie vond de regering onbegrijpelijk en onverantwoord.

Bij de ondertekening van het Verdrag van Brussel had Van Boetzelaer heel andere belangen voor ogen. De belangrijkste voorwaarde voor het economische herstel na de Tweede Wereldoorlog was immers het hervatten van de relaties met Nederlands-Indië. Als Nederland zijn gezag in zijn koloniën niet zou kunnen herstellen zou het moeilijk, zo niet onmogelijk zijn om op hetzelfde welvaartsniveau als voor de oorlog terug te keren. De leuze ‘Indië verloren, rampspoed geboren’ werd door de eerste naoorlogse kabinetten zeer serieus genomen.

Het kabinet-Beel zag in het Verdrag van Brussel een nuttig instrument om zijn internationale belangen veilig te stellen. Door het militaire pact probeerde Nederland bijvoorbeeld te ontkomen aan het Britse embargo op wapentransporten naar Indonesië. Bovendien zou het kabinet op steun van zijn nieuwe bondgenoten kunnen rekenen in geval van een nieuw Europees conflict. Het eigen leger had dan de handen vrij om politionele acties uit te voeren in de Oost.

Daarnaast gaf het verdrag toegang tot het geallieerde overleg over Duitsland. Het herstel van de handel met de oosterburen was van groot belang voor de wederopbouw en Nederland was na de capitulatie altijd buiten het geallieerde overleg gehouden.

Al met al realiseerde de Nederlandse regering zich dat zij niet onder Europese samenwerking uit kon. Een van de voorwaarden die de Verenigde Staten bijvoorbeeld stelden om in aanmerking te komen voor de Marshallhulp was dat de Europese landen een gezamenlijk wederopbouwprogramma zouden beginnen. Hiervoor ondertekende Nederland op 16 april 1948 het verdrag van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES). Helemaal na het definitieve verlies van Indonesië in december 1949 werd Europese samenwerking de enige realistische optie voor herstel van de welvaart en stabiliteit.

Bovendien kon de regering het zich helemaal niet veroorloven om openlijk eurosceptisch te zijn. Voor de oorlog, toen Nederland internationaal een strikte neutraliteitspolitiek voerde, had het parlement niets in te brengen op het gebied van buitenlands beleid. Die tijd was na 1945 definitief voorbij. De volksvertegenwoordiging accepteerde niet meer dat Buitenlandse Zaken het exclusieve domein van starre aristocraten was. Het enthousiasme voor ‘Europa’ onder het Nederlandse volk en in het parlement was overweldigend.

Dat was ook terug te vinden in de verkiezingsprogramma’s van de grote politieke partijen. Zo zag de PvdA in zijn beginselprogramma van 1947 het liefst ‘een toekomstige wereldorde, waarin iedere staat bereid zou moeten zijn, een deel van zijn soevereiniteit over te dragen aan hogere organen’. De KVP schreef in zijn programma ‘krachtig te streven naar Europese, waar mogelijk Atlantische en in een ververwijderde toekomst mondiale federale samenwerking’. Zelfs de conservatieve Anti-Revolutionaire Partij sprak van ‘de noodzaak van de federalisatie van Europa’.

De naoorlogse kabinetten gruwden ervan. Maar zolang het economische samenwerking betrof en er geen sprake was van het afstaan van gezag deden de bewindslieden noodgedwongen mee.

Op 9 mei 1950 kwam de Franse minister van Buitenlandse Zaken Robert Schuman met een plan om de productie van kolen en staal onder een centrale autoriteit onder te brengen. Het plan was uitgedacht door de Franse econoom Jean Monnet. Hij voorzag dat West-Duitsland voor zijn wederopbouw aanzienlijke hoeveelheden kolen en staal nodig zou hebben en deze vooral uit Frankrijk zou gaan importeren. Het plan voorzag in de oprichting van een onafhankelijke Hoge Autoriteit die de productie van deze goederen zou overzien en er regels voor zou gaan opleggen. Frankrijk zou zelf de grootste producent van kolen en staal worden en had daarom belang bij zo’n centrale autoriteit.

Voor het zojuist aangetreden kabinet Drees-Van Schaik (Drees I) kwam het Franse plan als een onaangekondigde en zeer onaangename verassing. Het Schuman-plan zaaide ernstige verdeeldheid. De ministers van Economische Zaken, Jan van den Brink en Sicco Mansholt vonden het prachtig – premier Willem Drees en minister van Financiën Piet Lieftinck wezen het af. Ook Dirk Stikker, de nieuwe minster van Buitenlandse Zaken, moest niets hebben van dergelijke bovennationale organen, maar hij was realistisch genoeg om in te zien dat hij het plan niet simpelweg naar de prullenbak kon verwijzen.

Wel had Stikker grote bezwaren. Door de organisatie van de EGKS zouden de kleine landen weinig meer in te brengen hebben. De EGKS zou vooral de Franse en in mindere mate de Duitse belangen dienen. Europa zou te veel naar binnen gericht raken. Door de nadruk op de Frans-Duitse samenwerking te leggen zouden de economische en militaire banden met de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk in het nauw komen.

Ook was Stikker bang dat de EGKS een te grote invloed zou krijgen op de ontwikkeling van lonen en prijzen in Nederland. Dat was zeer onwelkom, omdat Nederland zich als onderdeel van de wederopbouw graag profileerde als lagelonenland.

Reden genoeg om de angst te voeden dat de EGKS voor Nederland negatief zou uitpakken. Als alternatief lanceerde Stikker binnen de OEES een eigen plan, het zogenoemde Stikker-plan. Hij stelde voor geen supranationale autoriteiten in het leven te roepen, maar in plaats daarvan de Europese economie sector voor sector te liberaliseren. Een Europees Integratiefonds zou bedrijfstakken die het moeilijk hadden financieel moeten ondersteunen.
Het plan werd afgeschoten door zowel Frankrijk als Duitsland, die de beslissing tot het oprichten van de EGKS samen al lang genomen hadden.

Teleurgesteld maar strijdlustig vertrok Stikker op 17 april 1951 naar de onderhandelingstafel in Brussel, met de nadrukkelijke missie zo weinig mogelijk van de gehate Hoge Autoriteit heel te laten. Samen met België, dat andere belangen had, maar ook problemen met het Schuman-plan ondervond, onderhandelde Stikker keihard om de Hoge Autoriteit van tafel te krijgen.

Dat kreeg hij niet voor elkaar, maar hij wist de macht van die Autoriteit wel in te perken. Zo kwam er op Stikkers initiatief een Raad van Ministers die de beleidsbesluiten moest nemen en een Hof van Justitie met uitgebreide mogelijkheden om tegen allerlei beslissingen in beroep te gaan. Tevreden keerde Stikker terug naar Den Haag. Ondanks de voorgeprogrammeerde houding van Frankrijk en Duitsland had hij naar zijn gevoel het maximaal haalbare uit de onderhandelingen weten te slepen.

Toen de EGKS op 23 juli 1952 officieel van start was gegaan en Jean Monnet als eerste voorzitter van de Hoge Autoriteit aan de slag ging, bleef de Nederlandse regering proberen het Stikker-plan opnieuw op de agenda te krijgen. De regerende elite in Den Haag bleef van mening dat vergaande economische liberalisatie de Nederlandse belangen het best zou dienen. Daarnaast had het kabinet te maken met een nog altijd zeer pro-Europese Tweede Kamer, die de ministersploeg regelmatig aanspoorde een constructievere bijdrage te leveren aan de Europese integratie.

Onder deze omstandigheden moest premier Drees in de zomer van 1952 op zoek naar een nieuwe minister van Buitenlandse Zaken voor zijn derde kabinet. Inmiddels was duidelijk geworden dat Stikker, onder meer vanwege een eerdere motie van afkeuring van zijn eigen partij over zijn beleid in Nieuw-Guinea, niet zou terugkeren op deze post. Hij zou ambassadeur in Londen worden. Maar Stikker wist wel iemand voor te dragen als zijn opvolger.

Tijdens zijn ministerschap had hij regelmatig overleg gehad met de Nederlandse vertegenwoordiger bij het Internationaal Monetair Fonds, Johan Willem Beyen. Stikker herkende veel van zichzelf in Beyen. Beide mannen hadden een achtergrond in het bedrijfsleven en de bankierswereld. Beyen was onder andere bestuurder geweest bij Philips en Unilever. Tijdens de Tweede Wereldoorlog was hij financieel adviseur van de Nederlandse regering in ballingschap. Hierdoor had hij een nauwe band gekregen met prins Bernhard, wat hem zeker geholpen heeft bij zijn uiteindelijke benoeming.

Maar misschien wel de belangrijkste reden voor Stikker om Beyen bij Drees aan te bevelen was dat hij meende dat Beyen zijn zorgen over de pro-Europese, federalistische houding in het parlement en de publieke opinie deelde. Stikker zag in hem de ideale man om werk te maken van zijn eigen ideaal: meer economische liberalisatie en minder dirigerende Europese organen.

Ook Drees had daar wel oren naar. De protestantse sociaal-democraat had grote moeite met het vooruitzicht van een ‘Vaticaans geleid Europa’. Hij doelde hiermee zowel op de centrale leiding als op het feit dat zowel de Franse, Duitse en Italiaanse leiders katholiek waren. Daarbij was Beyen partijloos. In de formatie was forse onenigheid ontstaan tussen PvdA en KVP over de post van Buitenlandse Zaken, en een partijloze minister zou een handig compromis zijn.

Uiteindelijk bleken de katholieken volhardend en belandde in september 1952 zowel Beyen als de KVP’er Joseph Luns op Buitenlandse Zaken, wat al snel een onmogelijke combinatie bleek. Hun werkkamers bevonden zich zo ver mogelijk van elkaar en beide heren wensten enkel schriftelijk met elkaar te communiceren. Het kwam al snel tot een strikte werkverdeling. Beyen zou alle Europese aangelegenheden op zich nemen; Luns hield zich bezig met de overige buitenlandse kwesties.

Drees dacht met Beyen iemand in zijn kabinet te hebben gehaald die in zowel binnen- als buitenland een conservatieve politiek zou gaan voeren wat betreft Europese samenwerking. Al snel bleek dat de kersverse minister daar zelf andere ideeën over had. Beyen was al in de jaren dertig overtuigd geraakt van de noodzaak van hechte samenwerking, wilde Europa in de toekomst een rol op het wereldtoneel blijven spelen. Daarbij gingen economische belangen en het welzijn van de Europese bevolking boven de soevereiniteit van de staten. In tegenstelling tot Stikker was Beyen – zij het niet overhaast – bereid om zelfbeschikking deels op te geven ten gunste van het herstel van de welvaart.

Op 10 september 1952 – Beyen was net een week aan het werk – vergaderden de ministers van Buitenlandse Zaken van de EGKS-lidstaten in Luxemburg over een Frans-Italiaans voorstel voor de oprichting van een zogenoemde Europese Politieke Gemeenschap. Hier zou onder andere een Europese Vergadering onderdeel van moeten zijn. In de Vergadering zouden afgevaardigden van de nationale parlementen plaatsnemen om meer democratische controle te houden over bestaande samenwerkingsverbanden als de EGKS.

Toen de voorzitter iedere minister vroeg een afgevaardigde naar een commissie te sturen om een verdrag voor de Europese Politieke Gemeenschap te ontwerpen, gebeurde er iets opmerkelijks. Beyen stond op en verklaarde dat, in plaats van een hoge ambtenaar, hijzelf in de commissie plaats zou nemen. Hij voegde eraan toe dat hij er persoonlijk op wilde toezien dat het mandaat van deze Europese Vergadering – een supranationaal orgaan – zo breed mogelijk werd.

In Den Haag was Drees uiteraard niet blij met het optreden van Beyen in Luxemburg. Hij realiseerde zich meteen dat hij zijn nieuwe minister totaal verkeerd had ingeschat. Het kabinet-Drees III hing echter van politieke compromissen aan elkaar en bovendien kon de partijloze Beyen op aanmoediging vanuit het parlement rekenen. De premier was niet bij machte zijn minister terug te fluiten.

Vervolgens ging Beyen aan de slag om het Nederlandse standpunt over Europa opnieuw vorm te geven. Onder ambtenaren werd al snel duidelijk dat er een nieuwe wind was gaan waaien op het departement van Buitenlandse Zaken. Politieke en economische eenheid moesten voortaan hand in hand gaan. Als Den Haag zou blijven herhalen dat het zonder economische liberalisatie niets van politieke eenheid wilde weten, zou er nooit een akkoord te bereiken zijn.

Beyen had geen moeite met supranationalisme, maar dat moest wel in eerste instantie de economische integratie bevorderen. Hij opperde bijvoorbeeld dat de Europese Politieke Gemeenschap ook direct bevoegdheden op economisch terrein zou kunnen krijgen.

Beyens optimisme over Europese integratie werkte aanstekelijk in politiek Den Haag. Steeds meer ministeries wilden meepraten. Ook onder de burgers was het enthousiasme nog altijd groot. In proefreferenda sprak 90 procent van de kiesgerechtigden zich uit voor één Europese overheid en een Europese Grondwet. ‘Europa’ was bepaald geen project van de elite.

De overige EGKS-landen constateerden tevreden dat Nederland met het plan-Beyen een meer constructieve weg in was geslagen, hoewel ze zelf niet overliepen van enthousiasme. Veel landen hielden nog altijd krampachtig vast aan het beschermen van hun eigen binnenlandse economie. ‘Er was belangstelling, maar niet meer dan dat,’ schreef Beyen. Met name Frankrijk wilde in het belang van een gemeenschappelijke markt nog geen centimeter soevereiniteit opgeven. De Europese Politieke Gemeenschap sneuvelde uiteindelijk in het Franse parlement, tegelijk met het langgekoesterde idee van een Europees Leger.

Beyen had de Franse minister, die de onaangename boodschap buitengewoon ontactisch wist te brengen, het liefst eigenhandig willen wurgen. Hij hield voet bij stuk; Europa moest en zou zo snel mogelijk een open markt worden, mét een centrale autoriteit.

Uiteindelijk kwam dan toch Nederlands succes. Samen met zijn collega-ministers van de Benelux-landen, de Belg Spaak en de Luxemburger Bech besloot Beyen nog een keer een initiatief te lanceren. Het Benelux-memorandum, waarin een Europese douane-unie werd voorgesteld, werd in juni 1955 besproken op de conferentie van Messina. Frankrijk en Duitsland kwamen tegen het einde van de besprekingen nog met een tegenvoorstel, waarin de gezamenlijke markt opnieuw op de lange baan terecht dreigde te komen.

Nadat Spaak en Beyen de nieuwe Franse minister Pinay apart hadden gesproken werd om vier uur in de ochtend van de laatste congresdag toch besloten dat het Benelux-memorandum de kern zou zijn van de slotverklaring. Deze verklaring zou later de kiem van de Europese Economische Gemeenschap (EEG) vormen. Het was ook meteen de laatste keer dat een gezamenlijk Frans-Duits voorstel van tafel ging.


Meer weten?

Boeken
NRC-Handelsblad-redacteur W.H. Weenink promoveerde in 2005 op Bankier van de wereld, bouwer van Europa, een biografie van Johan Willem Beyen. De houding van het Nederlandse parlement ten opzichte van Europese samenwerking in de naoorlogse jaren komt aan bod in het proefschrift van Annemarie van Heerikhuizen: Pioniers van een verenigd Europa (1998).

In oktober 2011 verschijnt bij uitgeverij Boom de bundel Nederland-België. Broederliefde en broedertwist vanaf 1945, onder redactie van Duco Hellema, Bart Stol en Rik Coolsaet. In het artikel ‘Tussen argwaan en pragmatisme. Belgisch-Nederlandse relaties en de Europese integratie 1949-1969’ gaan Skander Nasra en Mathieu Segers in op het gezamenlijke Nederlands-Belgische verzet tegen het Schuman-plan.

Een algemeen overzichtswerk over de Nederlandse Europapolitiek is In Pursuit of Influence. The Netherland’s European Policy During the Formative Years of the European Union, 1952-1973 (2009).

Website
Veel nuttige informatie over de geschiedenis van de Europese integratie is te vinden onder het kopje ‘Geschiedenis’ op www.europa.eu.






 
 
 

Libris Geschiedenis Prijs 2014

 De longlist van de Libris Geschiedenis Prijs 2014 is bekend.


Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat