Alle themapagina's

Voorwaarts naar een Indonesia Merdeka

Door: Martijn Blekendaal HN nr. 7/2011

7/2011Eind 1926 breekt in de Indische archipel een opstand uit tegen het Nederlands gezag. De opstandelingen zijn geïnspireerd door hun landgenoten in de diaspora en door een golf van antikoloniale revoluties in de Arabische wereld. De uitvoering van de opstand, die op papier goed is gepland, is halfslachtig en chaotisch. De opstandelingen worden hard gestraft. 


Zondag 7 november 1926 onderschept de politie van het gewest Pekalongan op Midden-Java een geheime instructie van de Javaanse communistenleider Abdoel Moentalib, bestemd voor partijgenoten in Pekalongan. Ofschoon het bericht in codetaal is opgesteld, blijkt al snel dat het cruciaal is: ‘Het tijdstip is bepaald op 12/13, november 1926, tussen middernacht en 2 uur ’s nachts. Het Volk moet overal in opstand komen. Alle gouvernementsfunctionarissen en politiemannen moeten worden gedood.’

Toch krijgt de resident van Pekalongan de informatie pas vier dagen later, op donderdagavond 11 november 1926, onder ogen. Die brengt onmiddellijk de autoriteiten in Batavia op de hoogte en laat de gehele leiding van de Partai Kommunis Indonesia (PKI) in zijn district arresteren.

Ondertussen gaat in de kampong Bendoengan het gerucht dat er op 9 en 10 november relletjes uit zullen breken. Zoals wel vaker de afgelopen maanden, blijkt het loos alarm. Twee dagen later, op de bewuste 12 november, arresteert de politie van Tegal op Midden-Java een koerierster. Zij heeft een bericht op zak met de tekst: ‘Alle kledingstukken moeten tot sambal worden fijngestampt.’ Die kledingstukken – dat zijn de bestuursambtenaren.

De onheilspellende berichten volgen elkaar nu in steeds hoger tempo op. Dezelfde dag, om een uur of vier, hoort de regent van Batavia dat er voor de volgende dag een grote spoorwegstaking gepland is. ’s Avonds om kwart voor negen volgt een telefoontje dat drie communisten zijn gesignaleerd die mannen proberen te ronselen. Waarvoor is niet duidelijk.

Verder is het rustig. Maar door een gebrekkige communicatie tussen veldpolitie, recherche, inheems en koloniaal bestuur, en het ontbreken van een goed georganiseerd inlichtingenapparaat, dringt het niet tot de autoriteiten door dat het hier geen incidenten betreft, maar de versnipperde aankondiging van een revolutie.

Pas later zal uit een reconstructie van de gebeurtenissen blijken dat de opstand, althans op papier, zorgvuldig is uitgedacht. ‘De deelnemers aan het complot,’ aldus een rapport dat begin januari 1927 verstuurd wordt naar de Centrale Inlichtingendienst in Nederland, ‘werden in afdeelingen verdeeld, aan welker hoofd een z.g. “kop” stond, er was een brandafdeeling, belast met het stichten van brand, een sabotage-afdeeling, belast met het doorknippen van telefoon- en telegraafdraden, en een moordafdeeling, belast met het vermoorden van ambtenaren.’

Aanvankelijk is het plan om eerst op West-Sumatra ongeregeldheden te laten uitbreken. En als de KNIL-eenheden van Java naar West-Sumatra zouden zijn overgebracht om daar de opstand te bedwingen, dan zou ook op Java zelf een algehele opstand losbarsten. Men zou overal ‘beginnen brand te stichten, telefoon- en telegraafdraden door te knippen, spoorbanen op te breken en spoorbruggen te vernielen, de bestuurs- en politieambtenaren te vermoorden, de gevangenissen open te breken, bij de gegoeden te plunderen en vuurwapens te annexeeren, alles met het doel: “omverwerpen van het bestaande gezag”’.

Niets van alle geruchten, instructies en losse informatie lijkt echter door te dringen tot het paleis van gouverneur-generaal De Graeff. Want daar verzamelt zich die bewuste avond van de 12e november nietsvermoedend de politie- en bestuurlijke top van Java voor een feestelijk samenzijn.

Bijna een halfjaar eerder, op 21 juni 1926, heeft de douane van Priok in de bagage van een zekere Wirjono Koesoemo, die kort daarvoor zijn rechtenstudie in Nederland afrondde, een verdachte stapel papieren aangetroffen. Pamfletten, veertig in totaal, afkomstig van de Perhimpoenan Indonesia, de Vereniging van Indonesische Studenten in Nederland.

Het manifest had in het blad Kepada Bangsa Indonesia (Naar de natie Indonesië) gepubliceerd moeten worden onder de titel: ‘Een kreet van de revolutionaire kameraden in Nederland.’ Maar zover was het niet gekomen. Volgens een nieuw artikel (153bis) in het Wetboek van Strafrecht kon iemand voor maximaal zes jaar in de gevangenis belanden als hij ‘opzettelijk in woord, geschrift of afbeelding, zij het ook slechts indirect bij wijze van aanduiding of in bedekte termen, tot een verstoring van de openbare orde of tot omwenteling of aantasting van de in Nederland of Nederlands-Indië gevestigde regeringen oproept of daarvoor stemming maakt’. Dus had de censor eerst de kreet, vervolgens het bewuste nummer, en ten slotte maar het hele blad verboden.

De boodschap van het pamflet, gericht aan ‘de Indonesische Natie’, liegt er dan ook niet om. Zonder letterlijk tot revolutie op te roepen hekelt het de koloniale terreur in Nederlands-Indië: ‘Aan de vooravond van geweldige gebeurtenissen, die nu haar schaduwen reeds vooruitwerpen, richten wij dit manifest tot U! Wij zijn daartoe gedrongen door de steeds stijgender nood, waarin gij verkeert. Steeds meer bereiken ons berichten uit het vaderland, dat de vreemde regeering naar nieuwer en krachtiger middelen zoekt om den revolutionairen wil der natie te breken. De periode van het schrikbewind heeft zich ingezet! Steeds driester treedt de overheerscher op, steeds brutaler grijpt hij in de groeiende vrijheidsbeweging.’

De koloniale autoriteiten weten dat Indonesische studenten en revolutionairen in Nederland een belangrijke rol speelden bij het propageren en faciliteren van ongeregeldheden in Nederlands-Indië. ‘Het is bekend dat de actie van de communisten in Nederlandsch-Indië,’ aldus een rapport van de Centrale Inlichtingendienst, ‘van Holland uit wordt geleid door Bergsma en Semaoen, die op dit oogenblik in Amsterdam verblijven. Zij bedienen zich voor de verstandhouding met Indië van het inlandsch personeel op de mailbooten of van terugkeerende Indonesische studenten.’

Toeval of niet: op de dag dat de Indonesische studenten in Nederland hun revolutionaire wanhoopskreet aan het papier toevertrouwen, 25 december 1925, besluit de PKI-leiding tijdens een geheime ontmoeting in de Prambanan-tempels in Djokjakarta om tot actie over te gaan.

Moskou vindt het geen goed plan. Ook Tan Malaka, de verbannen leider van de communisten in Nederlands-Indië, vreest dat het volk van Indonesië nog niet klaar is voor onafhankelijkheid. Vanuit Manilla, waar hij op de vlucht voor de autoriteiten is neergestreken, doet hij verwoede pogingen om zijn partijgenoten op Java van gedachten te doen veranderen.

Via zeelieden en handelaren bereiken zijn waarschuwingen Nederlands-Indië, zoals gebruikelijk verpakt in commercieel jargon: ‘Zolang firma 223 [Java] nog niet gereed en voorzien is van werktuig 5486135587 [massa-actie] namelijk chocolade [stakingen] en rubber [demonstraties] en dat bij voortduring; zolang het volk nog geen actie voert met betrekking tot de economie en politiek, die van dag tot dag en van maand tot maand aan het licht treedt zoals te 256 [Brits-Indië], 251 [Sjanghai], 262 [Duitsland] enz. gebeurd is; zolang men nog bang is voor waterpomp of een stukje gummie [leger en politie], zolang zal een banknoot [revolutie] in firma 23 [Java] helemaal vruchteloos zijn en kan zij zelfs leiden tot het onnodig jarenlang uitstellen van de strijd.’

Maar de nieuwe communistische leiders op Java laten zich niet door het geschreven woord van Tan Malaka overtuigen. Verblind door hoop, zelfoverschatting en een veel te optimistisch beeld van de bereidheid tot gewelddadig verzet, zien zij geen weg terug meer.

Ook de Indonesische studenten schrijven wel dat ‘de vreemde regeering naar nieuwer en krachtiger middelen zoekt om den revolutionnairen wil der natie te breken’. Maar voorlopig kwam die ‘revolutionaire wil der natie’ slechts tot uitdrukking in woorden, niet in een collectieve daad. De revolutionaire retoriek van de studenten lijkt dan ook meer te zeggen over de intellectuele wereld waarin zij leefden dan over de politieke werkelijkheid in de archipel.

Een belangrijk deel van de Indonesische intellectuele voorhoede bevindt zich midden jaren twintig buiten Nederlands-Indië. Als student, als politiek vluchteling of als banneling: bij gebrek aan geschikte wetgeving om oproerkraaiers vast te zetten is verbanning voor het koloniale regime een beproefd middel om tijdelijk van lastige figuren af te komen. Als gevolg daarvan bestaat de Indonesische diaspora uit een hecht netwerk van antikoloniale centra dat Nederlands-Indië verbindt met Holland, Parijs, Moskou, Singapore, Mekka en Caïro.

Singapore is door zijn geografische ligging, hemelsbreed slechts honderd kilometer van Sumatra’s oostkust, een gewild toevluchtsoord voor Indonesische revolutionairen. Moskou trekt als centrum van de communistische internationale (Komintern) revolutionairen van over de gehele wereld aan – zo vervoegen PKI-prominenten Alimin, Moesso, Darsono en Semaoen zich in juli 1926 tevergeefs bij Stalin met een verzoek om (financiële en materiële) steun aan de opstand in Nederlands-Indië. Parijs is voor nationalistische revolutionairen een ontmoetingsplek sinds president Wilsons vurige pleidooi voor het universele recht op nationale soevereiniteit tijdens de vredesconferentie van Versailles.

Voor studenten die geen bestuurlijke maar een religieuze loopbaan ambiëren in Nederlands-Indië is niet Nederland, maar Egypte, en in mindere mate Mekka, ten slotte een aantrekkelijke studieplek. Begin jaren twintig studeren er aan de al-Azhar-universiteit in Caïro meer dan tweehonderd studenten uit Zuidoost-Azië – merendeels uit Nederlands-Indië. Ze hebben een eigen vereniging en een eigen orgaan, de Seroean Azhar (Roep van Azhar). De antikoloniale standpunten die zij daarin verkondigen, zijn voor de autoriteiten in Nederlands-Indië aanleiding om het blad te verbieden.

Voor de Indonesische studenten aan de al-Azhar-universiteit geldt misschien nog wel sterker dan voor hun landgenoten in Nederland dat de directe omgeving richting geeft aan hun antikoloniale nationalisme. ‘In Mekka,’ zo zou een van de Azhar-studenten later opmerken, ‘kon je alleen religie studeren. In Caïro ook het bedrijven van politiek.’

Egypte had al in 1919 een opstand tegen het Engelse koloniale gezag beleefd. Nadat de Engelsen in november 1918 geweigerd hadden het land zijn onafhankelijkheid te schenken, was een volksbeweging op gang gekomen, die haar wens aanvankelijk uitdrukte in 100.000 handtekeningen en een vergeefse poging aan te schuiven bij de Vredesconferentie van Versailles. Toen de Engelse machthebbers reageerden met de arrestatie van de verzetsleiders, kwamen duizenden woedende Egyptenaren samen op het Ismailia-plein in Caïro, dat voortaan in de volksmond Plein van de Vrijheid (Al-Tahrir-plein) zou gaan heten.

Wekenlang volgden massale demonstraties, stakingen en onlusten, waarbij alle lagen van de bevolking betrokken waren: studenten en arbeiders, boeren en ondernemers, mannen en vrouwen, christenen en moslims. Om uit de impasse te komen besloot de Britse regering in 1923 om Egypte onafhankelijk te verklaren. Geen volledige onafhankelijkheid, want de Engelsen hielden zeggenschap over tal van zaken (zoals het Suez-kanaal), maar wel een gewonnen vrijheid die tot de verbeelding sprak en antikoloniale nationalisten over de gehele wereld inspireerde en zelfvertrouwen gaf.

Zo neemt in het noorden van Marokko de voormalige rechter Abd el K(a)rim de wapenen op tegen de vreemde overheersing. Aanvankelijk met succes en misschien zelfs mede dankzij Indonesische revolutionairen/Indische moslims in Holland, blijkt uit een korte notitie van de Centrale Inlichtingendienst. Eind april 1926 stuurt deze namelijk een waarschuwing rond dat een zekere ‘Mohammadi, zwager van Abd el Krim, zich van den Riff naar Holland zal begeven, voorzien van een valsch paspoort, teneinde aldaar de gelden in ontvangst te nemen, die zijn verkregen door inschrijvingen der Indische muzelmannen, en deze gelden dan ter beschikking zal stellen van Abd el Krim. In totaal zou er sprake zijn van een bedrag van 150.000 Engelsche Ponden.’

Het bericht is moeilijk te plaatsen, omdat bekend is dat de Indonesische revolutionairen zelf voortdurend in geldnood verkeerden – wellicht dienen de Indische moslims hier slechts als koerier tussen Abd el Krim en de Komintern in Moskou, die zowel materieel (wapens) als financieel steun verleent aan de Marokkaanse opstandelingen. Hoe het ook precies zij, het mag niet baten. Nog datzelfde jaar slaat het Franse leger de opstand in het Rif-gebergte neer.

Ondertussen is de vonk van de revolutie in juli 1925 ook overgeslagen naar het Franse mandaatgebied Syrië. Bron van onvrede is, net als in Egypte en Marokko, niet alleen de vreemde overheersing, maar vooral ook de uitbuiting, onderdrukking, corruptie en discriminatie door het koloniale regime. Dat verklaart ook het massale karakter van de opstand: geen eenzijdige aangelegenheid van een kleine groep radicalen, maar een breed gedragen revolte waarbij boeren en stedelingen, arbeiders en landeigenaren zij aan zij vechten. Twee jaar kost het de Fransen om de opstand te bedwingen.

Deze golf van nationale/antikoloniale opstanden in de Arabische wereld is voor de Indonesische studenten in Nederland een inspirerend voorbeeld, dat zij hun landgenoten in Nederlands-Indië graag voorhouden: ‘Broeders, de tijd is daar, dat wij onze gelederen vaster dan ooit moeten voorwaarts brengen. Alleen een krachtig eenheidsfront kan de macht van alle geweldmaatregelen breken. Tegenover het gemeenschappelijk gevaar hebben wij ons vaster aaneen te scharen. Ziet naar Egypte, ziet naar Marokko, ziet naar Syrië! Daar is een onverzettelijke en onvernietigbare wil der natie,’ schrijven de studenten in hun pamflet. ‘Protesteert mede tegen de huidige terreur! Organiseert massabetoogingen! Voorwaarts naar een Indonesia Merdeka! [Vrij Indonesië]’

En voorwaarts gaat het in de nacht van 12 op 13 november 1926. Alleen niet zoals gehoopt. Rond middernacht heeft het ontcijferde codebericht over de aanstaande opstand dan eindelijk het paleis van de gouverneur-generaal bereikt, waar op dat moment nog altijd feestelijkheden bezig zijn. KNIL-officieren hebben in allerijl het galabal verlaten en zich bij hun eenheden in de kazernes gevoegd.

Net op tijd om de opstandelingen in een vroeg stadium een halt toe te roepen, al kan het optreden van de militairen niet voorkomen dat er aan Europese kant enkele doden vallen, her en der brand wordt gesticht, telefoon- en telegraafverbindingen onklaar worden gemaakt en de gevangenis bij Glodok wordt aangevallen. Maar waar het tot confrontaties met KNIL-eenheden komt, delven de zwak bewapende opstandelingen meestal het onderspit.

Tegen de ochtend is het rond Batavia weer rustig. Elders, zoals in het meer religieuze Bantam, wanen de opstandelingen zich in een heilige oorlog die nog dagen aanhoudt. Een kleine twee weken na het begin van de opstand schrijft de resident van Kedoe in zijn dagboek: ‘Weer zijn doden en gewonden gevallen. Alleen in Bantam zijn tien ambtenaren, waaronder een wedono, districtshoofd, en een Europese op beestachtige wijze vermoord. Veel leed is toegebracht. Nog meer zal volgen.’

Op 1 januari 1927 slaat de vonk over naar West-Sumatra. Daar kost het de autoriteiten veel meer moeite om de orde te herstellen. De opstandelingen zijn strakker georganiseerd, beter voorbereid, zwaarder bewapend. Al lijkt het verzet de tweede week van januari gebroken, nog in juli van dat jaar meldt de Algemeene Recherche in Weltevreden ongeregeldheden.

Een maand later blijft het bij vage aankondigingen van mogelijke onheil en concludeert het hoofd van de recherche dat ‘dergelijke berichten van extremistische zijde [mogelijk] worden gelanceerd uitsluitend met het oogmerk eene onrustige stemming gaande te houden’. De revolutie is definitief mislukt.

En toch, hoe chaotisch en halfslachtig de uitvoering ook is gebleken – één ding weten de opstandelingen wel te bereiken: de (schijnbaar) spontane eruptie van massaal geweld heeft de Europese bevolking van Nederlands-Indië de stuipen op het lijf gejaagd. ‘Gezagsschemering is ingetreden,’ schrijft resident Van der Jagt in zijn dagboek. ‘Er hangt nog veel stille angst in de atmosfeer.’

Wekenlang beheersen de onlusten nieuws en politiek – in binnen- en buitenland. De algemene opinie is dat bestuur en politie gefaald hebben in het tijdig signaleren van de oproer. En dat het snelle neerslaan van de opstand meer met de zwakte van het verzet te maken heeft dan met de kracht van het gezag. De roep om strenge maatregelen klinkt luid. ‘Hierbij staan voor Indië levensbelangen op het spel,’ schrijft de Nieuwe Rotterdamsche Courant op 28 december 1926, ‘waarbij het bestaan zelf van het Nederlandsch gezag in Indië ten nauwste is betrokken.’

Het koloniale regime slaat inderdaad keihard terug. Op 17 november geeft gouverneur-generaal De Graeff opdracht om iedereen die banden heeft met de PKI vast te zetten, of zij nu wel of niet bij de opstanden betrokken zijn. ‘De vervolging,’ schrijft Van der Jagt eind november in zijn dagboek, ‘is nog in volle gang. Ze vluchten verenigd in benden, het diepere binnenland in en wijken uit naar de overkant, de Lampongs, op Zuid-Sumatra.’ Anderen proberen naar Singapore of Egypte te ontkomen.

Maar zelfs in Mekka zijn de vluchtelingen niet veilig. Volgens de Nederlandse consul in Djeddah voldoet het om koning Ibn Saoed van Saudi-Arabië ‘de lijst te overhandigen met de namen der nationalistische vluchtelingen.’ Dan zorgt hij vervolgens met de Arabische autoriteiten voor de arrestatie. ‘In de politiekazerne van Djeddah,’ zo vervolgt de consul, ‘zag ik hen voor het eerst: uitgeputte, verzwakte, verslagen mensen.’

In totaal worden circa 13.000 ‘communisten’ gearresteerd, van wie in veel gevallen volstrekt onduidelijk is of zij iets met de opstanden te maken hebben, of überhaupt communistische sympathieën koesteren. Meerdere arrestanten worden ter dood veroordeeld, drie ook daadwerkelijk geëxecuteerd. Vierenhalfduizend van hen belanden voor langere tijd in de gevangenis.

Voor de belangrijkste revolutionair leiders wordt een speciaal verbanningsoord in het leven geroepen: Boven-Digoel, in de meest onherbergzame streek van de archipel, het zuiden van Nieuw-Guinea. De eerste deportatiegolf, van ruim 800 vermeende communisten, vindt plaats begin 1928. Uiteindelijk loopt dat cijfer op tot 1300.

Onder kunstenaars en intellectuelen in Nederland wordt verontwaardigd gereageerd op de verbanningen. In maart 1927 richten prominente figuren als Berlage, Henriette Roland Holst en Jan Romein een comité op ‘ter behartiging der belangen der veroordeelden en geïnterneerden in Indië’. In pamfletten en protestacties dringen zij aan op ‘niet ten uitvoerlegging van doodvonnissen en interneeringen, zijnde deze in strijd met menschelijkheid en de Christelijke beginselen, die de Regeering zegt voor te staan’.

Het mag niet baten. Het ‘verlaten oord van ellende en haat’ dient vijftien jaar lang als concentratiekamp voor ‘staatsgevaarlijken, extremisten, of kortweg “communisten”’, zoals een voormalig Digoel-gevangene schrijft: ‘De vrees dat wij ooit nog eens door deze of gene als Indonesische vrijheidsstrijders zouden worden gezien noodzaakte de machthebbers ons tegenover het grote publiek steeds als ongewenste “extremisten” voor te stellen. En het eenvoudigste was dus in deze hele aangelegenheid alleen “Moskou” van alles de schuld te geven en vooral te verzwijgen, dat het gebeuren een uiting was van het ontwaken van een onderdrukt volk.’

Inderdaad kwam de opstand niet uit de koker van Moskou. Zij was bedacht, georganiseerd en aangevoerd door lokale leden van de Partai Kommunis Indonesia. En zij werd ook nog eens veel breder gedragen dan het koloniale gezag wilde geloven. Vooral op West-Sumatra konden de communisten rekenen op actieve steun van lokale ondernemers, studenten, handelaren, boeren, onderwijzers, religieus leiders en soms zelfs inheemse autoriteiten. Net als in Syrië, Marokko en Egypte verzetten zij zich tegen de beperkingen die het koloniale systeem aan hun leefomstandigheden oplegde.

De opstand van 1926-1927 bracht niet de verlossing waarop zij gehoopt hadden. En toen de revolutionaire leiders waren verbannen of vastgezet, was de angel voorlopig uit het antikoloniale verzet gehaald. Maar de overtuiging bleef. ‘Vroeg of laat,’ aldus Mohammad Hatta een jaar na de opstand, ‘zal elk overheerst volk zijn vrijheid hernemen; dat is de ijzeren wet der wereldgeschiedenis.’


Meer weten?

Dit artikel is gebaseerd op onder meer de archieven van de Centrale Inlichtingendienst (in te zien op historici.nl/Onderzoek/Projecten/RapportenCentraleInlichtingendienst1919-1940), kranten uit die tijd (te vinden op kranten.kb.nl) en de ooggetuigenverslagen van A. Djajadiningrat, Herinneringen van Pangeran Aria Achmad Djajadiningrat (1936); M.B. van der Jagt, Memoires (1955) en I.F.M. Salim, Vijftien jaar Boven-Digoel (1973).

Het standaardwerk over de onlusten in Nederlands-Indië verscheen alweer bijna 50 jaar geleden: The Rise of Indonesian Communism (1962) van Ruth McVey (in zijn geheel te raadplegen op books.google.com). In deel 11a van Het Koninkrijk der Nederlanden in de Tweede Wereldoorlog wordt ook uitgebreid ingegaan op de onlusten van 1926-1927.
Over het antikoloniale nationalisme van de jaren twintig publiceerde Erez Manela in 2007 The Wilsonian Moment. Self-Determination and the International Origins of Anticolonial Nationalism. De geschiedenis van de Arabische wereld wordt boeiend en beknopt beschreven in Albert Hourani’s Geschiedenis van de Arabische volken (1993).

Afbeelding: Studenten van de vereniging Perhimpoehan Indonesia. Den Haag, 1927 (IISG)







 
 
 

Kerstspecial


Speciaal voor de kerst verrast Historisch Nieuwsblad zijn lezers met een extra online special over vrede. Spannende en opmerkelijke verhalen leest u in onze online Kerstspecial.

Ook in de special: ideeën voor leuke uitstapjes in december en de beste cadeautips voor kerst.

Liever offline lezen? Download de special hier (3MB).


Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat