Hoe de SGP voor een kabinetscrisis zorgde
mijn artikel
Door: H.C. HiemstraHN nr. 0/0000
Dit is geen droom van een godsdienstfanaat; het is echt gebeurd en daarmee onderdeel van onze politieke geschiedenis. We gaan terug naar de ‘Nacht van Kersten', 10 november 1925
.
In november 1925 viel het eerste kabinet-Colijn, nadat de vier katholieke ministers hun ontslag hadden genomen. De reden voor deze stap was de aanvaarding van een amendement op de begroting voor Buitenlandse Zaken waarmee de kosten voor het instandhouden van het gezantschap bij de Paus werden geschrapt. Het amendement was ingediend door fractievoorzitter Kersten van de
SGP en kreeg onder meer steun van de Christelijk-Historische Unie. Indertijd één van de regeringspartijen.
Wat vooraf ging
Sinds 1866 bestond er een gezantschap van Nederland bij de Heilige Stoel Toen de Pauselijke Staat in 1870 was overrompeld door Italiaanse troepen, werd de handhaving van de Nederlandse diplomatieke post een punt van politiek overleg. Omdat de Paus feitelijk geen wereldlijke macht meer bezat, werd besloten het gezantschap te schrappen. Het voorstel daartoe werd – ondanks heftige protesten van alle katholieke parlementariërs – met 39 tegen 33 stemmen aangenomen.
Het
kabinet-Cort van der Linden had het gezantschap in 1915 weer als (tijdelijke) diplomatieke post ingesteld. Het belang ervan moest vooral worden gezien in het kader van de internationale contacten en onderhandelingen over de beëindiging van de Eerste Wereldoorlog.
De protestantse partijen CHU en ARP steunden het voorstel vanwege het tijdelijke karakter van het gezantschap. Slechts enkele liberalen, socialisten en de oud-CHU’er Bichon van IJsselmonde stemden in de Tweede Kamer tegen. De Eerste Kamer was unaniem vóór.
Als eerste tijdelijk gezant werd oud-minster L.H.W. Regout afgevaardigd. Hij overleed echter vrij snel en werd in Rome opgevolgd door jhr. O. van Nispen tot Sevenaer, voormalig voorzitter van de Tweede Kamer.
Na afloop van de Eerste Wereldoorlog bleef het gezantschap – tegen de verwachtingen in – gehandhaafd. In 1920 besloot toenmalig minister Van Karnebeek de post een permanente status te geven. Hij voerde daar diplomatieke redenen voor aan.
Hoewel nu heel protestants Nederland hevig protesteerde, werd het voorstel aangenomen.
De SGP in de Tweede Kamer
In 1922 werd er voor het eerst een afgevaardigde van de orthodox-protestantse SGP tot Tweede Kamerlid gekozen: ds. G.H. Kersten Hij diende bij de begrotingsbehandeling van 1923 voor het eerst een amendement in om het gezantschap te doen sluiten. Zonder resultaat. Ook in 1924 werd een vergeefse poging ondernomen om het beoogde doel te realiseren.
De Nacht van Kersten
Kersten, die na de verkiezingen van 1925 gezelschap had gekregen van een partijgenoot – ds. Zandt – deed in november 1925 een nieuwe poging. Hij voerde hiervoor de bij de verkiezingen gewijzigde verhoudingen als argument aan. In de nacht van 10 op 11 november (de vergaderzaal was al bijna leeg) diende hij samen met Zandt een amendement in om de gelden voor het gezantschap uit de begroting te laten schrappen. De indiening werd ondersteund door drie parlementariërs van de CHU.
Fractievoorzitter Nolens van de Katholieken verklaarde direct dat aanneming van dit amendement onaanvaardbaar zou zijn voor zijn fractie en dat die geen steun meer zou geven aan een kabinet dat zou meewerken aan de opheffing van het gezantschap.
Bij de stemming – die de volgende dag plaatsvond – bleken, behalve SGP, CHU en HGSP, ook VDB, SDAP, Vrijheidsbond, Plattelandersbond en communisten voor. Het werd met 53 tegen 42 stemmen aanvaard.
Daarmee zorgde de SGP voor de eerste en enige keer in haar bestaan voor een kabinetscrisis.