Shortlist Libris Geschiedenis Prijs 2010
Algemeen
Rijke oogst aan goede historische boekenHN nr. 8/2010
Door: Frans Smits
Niet lang geleden werd geklaagd over de output van de Nederlandse historici. Ze zouden vooral artikelen vol voetnoten leveren aan vaktijdschriften of juist alleen maar krantenartikelen of volmaakt onleesbare boeken produceren. Natuurlijk verschijnen er nog altijd van die artikelen en boeken, maar wie kijkt naar de boeken die de afgelopen jaren zijn genomineerd voor de Libris Geschiedenis Prijs moet constateren dat deze klacht volledig is achterhaald. Jaarlijks verschijnen tal van boeken voor een breed publiek, die ook wetenschappelijk verantwoord zijn. En het mooie is: er lijkt nog steeds progressie mogelijk. Twee jaar geleden concludeerde ik dat de genomineerde boeken heel degelijk en toegankelijk waren, maar dat ze zich allemaal concentreerden op de vierkante centimeter of zelfs millimeter. En vorig jaar viel op dat alleen biografieën de eindstreep haalden. Maar dit jaar is zowaar sprake van grote diversiteit. Het kan gewoon niet op.
Dat er minder biografieën op de shortlist staan, heeft ongetwijfeld te maken met de aparte bekroning, de Erik Hazelfhoff Roelfsema Prijs, die inmiddels voor dit genre bestaat. Op de longlist stonden nog twee levensbeschrijvingen, maar Piet Hagens vuistdikke boek over het tumultueuze leven van Pieter Jelles Troelstra heeft het uiteindelijk afgelegd tegen de studie van Annejet van der Zijl over de jonge jaren van prins Bernhard. Is dat terecht? Of valt er hier toch iets te zeuren?
Zonder meer lovenswaardig aan
Bernhard. Een verborgen geschiedenis is dat de auteur grondig archiefonderzoek heeft verricht. Wat bij zo’n bekende figuur voor de hand ligt, maar nog nooit was gedaan. Daardoor wordt eindelijk bewezen wat veel mensen al vermoedden: dat Bernhard uit een sterk verarmde, tamelijk onbeduidende adellijke familie kwam en dat hij een geniale leugenaar was die al zijn charmes aanwendde om op de huwelijksmarkt de hoofdprijs binnen te halen. Ook wordt het beeld bevestigd dat hij tijdens de Tweede Wereldoorlog, als hij de echte militairen niet voor de voeten liep, vooral feest heeft gevierd.
Toch valt op dit boek wel een en ander aan te merken. Op de website van
Historisch Nieuwsblad heeft Willem Melching erop gewezen dat Van der Zijl in de veronderstelling verkeert dat in de nadagen van de Weimarrepubliek de sociaal-democraten en de communisten gezamenlijk optrokken tegen Hitler. Maar de communistische partij werkte liever samen met de nazi’s dan met de SPD, en mede daardoor kon Hitler aan de macht komen. Ook verder bevat dit boek een hoeveelheid fouten die je in een proefschrift niet verwacht. Zo wordt de mythe over het ‘enthousiasme’ waarmee in 1914 het uitbreken van de oorlog door de Europese bevolkingen werd verwelkomd klakkeloos herhaald. Verder geeft Van der Zijl de naam van Hitlers partij onjuist weer en kloppen veel jaartallen niet. Haar Duits is matig (het meervoud van
Freikorps is niet
Freikörper) en ten onrechte wordt Bernhard tot tweemaal toe ‘de laatste echte feodaal van Europa’ genoemd, terwijl dat helemaal geen zelfstandig naamwoord is. Fouten die minder ernstig zijn dan de door Melching gesignaleerde blunder, maar wel de vraag oproepen of de promotiecommissie het boek eigenlijk wel heeft gelezen.
Voor De NSB. Ontstaan en opkomst van de Nationaal-Socialistische Beweging, 1931-1935 hebben Robin te Slaa en Edwin Klijn uitputtend archiefonderzoek gedaan. Ook dat was merkwaardigerwijs nog nooit gedaan. Er is natuurlijk al veel over het Nederlandse fascisme in het Interbellum gepubliceerd, maar boeken over de NSB beperkten zich meestal tot de grote lijnen, tot Mussert zelf, of tot specifieke details, waarbij dikwijls vooral werd geleund op gedrukte bronnen. Te Slaa en Klein hebben voor dit eerste deel van een geplande trilogie elke snipper papier waarop zij de hand konden leggen bekeken. Ze schetsen zo een gedetailleerd beeld van de ontstaansgeschiedenis, het kader en de aanhangers van de partij, en de reacties die de razendsnelle opkomst van de NSB losmaakte.
Het resultaat is een buitengewoon gedegen, maar niettemin uiterst leesbaar boek, dat van de lezer wel het nodige doorzettingsvermogen vergt. Het valt te hopen dat Te Slaa en Klijn na voltooiing van hun reuzenwerk de moed kunnen opbrengen een handzame samenvatting te schrijven. Het thema van hun boek – de opkomst van een beweging die tracht de onvrede onder grote groepen van de bevolking te verwoorden én aan te wakkeren – is anno 2010 immers zonder meer actueel te noemen.
Oók grondig, leesbaar en gericht op een onderwerp waarover iedereen een mening heeft, is Mariëtte Wolfs
Het geheim van De Telegraaf. Dit dagblad werd in 1893 opgericht en is sinds jaar en dag de grootste Nederlandse krant. Het succes komt volgens Wolf voort uit het feit dat het blad ‘denkt vanuit de lezer’. De krant vraagt zich af wat de mensen willen lezen en waar ze zich druk over maken. Deze commerciële instelling ging altijd gepaard met een uitgesproken politiek engagement. In de beginjaren was dat sterk progressief van karakter, terwijl de krant vanaf het Interbellum duidelijk naar de rechterkant van het politieke spectrum opschoof. Overigens laat Wolf overtuigend zien dat het ‘oorlogsverleden’ van
De Telegraaf niet ernstiger was dan dat van de
NRC. De krant is volgens haar na de bevrijding zo hard aangepakt, omdat die al heel lang de reputatie had van een opportunistisch, onethisch en op winst gericht blad.
Wolf maakt geen geheim van de minder fraaie kanten van de
Telegraaf-journalistiek: de lastercampagne in de jaren dertig tegen de Amsterdamse SDAP-wethouder De Miranda, de BVD-activiteiten van een adjunct-hoofdredacteur in de jaren zeventig en de nauwe samenwerking met VVD. Tegelijkertijd heeft ze grote waardering voor de tomeloze inzet en het journalistieke instinct waarmee de krant is gemaakt, en is ze wel gecharmeerd van de brutale en kwajongensachtige sfeer.
De vorige boeken bestreken een duidelijk afgebakend terrein, waarbij het vrij duidelijk was in welke archieven er gespit diende te worden. Met
Vrouw des huizes. Een cultuurgeschiedenis van de Hollandse huisvrouw heeft Els Kloek het zich minder gemakkelijk gemaakt. Overal ter wereld werd eeuwenlang het huishouden bestierd door vrouwen, maar al in de zestiende eeuw beschreven buitenlanders die de Lage Landen aandeden de huisvrouwen hier als een bijzonder fenomeen. Waar getrouwde vrouwen elders geacht werden hun man onderdanig te dienen, en bij klachten daarover nogal eens geslagen werden, beschreven reizigers de Hollandse huisvrouw als stoer, ondernemend en bazig. Niet alleen werkte ze vaak mee in de zaak van haar man of zette ze die na diens overlijden voort, ook was ze heel proper.
In haar boeiende en goed geschreven boek gaat Kloek na in hoeverre dit beeld overeenkwam met de werkelijkheid, en hoe de positie van huisvrouwen in de daaropvolgende eeuwen veranderde. Ze verdiepte zich in uiteenlopende en soms niet erg voor de hand liggende bronnen. Het vaag omlijnde thema van haar boek zou gemakkelijk kunnen resulteren in oeverloos gezeur of hoogst abstracte beschouwingen. Dat Kloek in plaats hiervan een heel leesbaar, informatief en verhelderend boek heeft geschreven, is dus een prestatie van formaat.
Het meest indrukwekkende boek is geschreven door de enige Belg op de shortlist. David Van Reybroucks
Congo is een verpletterend boek, over een immens land met een zeer bloedig en traumatisch verleden, dat nog heel duidelijk doorwerkt in het allesbehalve rooskleurige heden. Van Reybrouck laat de geschiedenis niet beginnen bij de kolonisatie van het land door de Belgische koning Leopold II, al schetst hij de voorafgaande eeuwen slechts summier.
Zijn opmerkelijkste bron vormen de gesprekken die hij rond 2008 voerde met Etienne Nkasi, die naar eigen zeggen geboren was in 1882. Hoewel dit tamelijk opmerkelijk is – en niet alleen in een land waar de gemiddelde levensverwachting nu 45 jaar bedraagt -, klopten de verhalen die deze man vertelde volledig met andere gegevens die Van Reybrouck vond. Als Nkasi het niet allemaal zelf heeft meegemaakt, dan heeft hij in ieder geval heel veel correcte feiten onthouden.
Het verhaal dat Van Reybrouck op meeslepende wijze vertelt, is niet bepaald opwekkend. Hij verhaalt over de gruwelijke Arabische slavenhandel, het schrikbewind dat werd gevoerd om de productie van rubber op te krikken en het lijden van Congolese soldaten in de Eerste en Tweede Wereldoorlog. Maar ook over de bloedige chaos die uitbrak nadat het land in 1960 onafhankelijk was geworden, de dictatuur van Moboeto en de burgeroorlogen die het land sinds de jaren negentig teisteren. Het is een litanie van ellende en misdadigheid. Toch beschrijft Van Reybrouck dit zonder enig cynisme en heeft hij oog voor de idealen en intenties van mensen, voor hun moed en voor hun doorzettingsvermogen. ‘De geschiedenis is een afschuwelijk gerecht bereid met de beste ingrediënten,’ schrijft hij naar aanleiding van de gruwelen van 1960. Voor goede geschiedschrijving, waar Congo een subliem voorbeeld van is, geldt precies het omgekeerde.
Zaterdag 23 oktober maakt juryvoorzitter Paul Schnabel de winnaar bekend van de Libris Geschiedenis Prijs 2010. De feestelijke uitreiking vindt plaats tijdens de Nacht van de Geschiedenis in de Amsterdamse Stadsschouwburg. De auteur van het beste geschiedenisboek ontvangt € 20.000.
De prijs voor het beste geschiedenisboek voor een breed publiek werd in 2007 ingesteld door de
Volkskrant en
Historisch Nieuwsblad. In 2008 sloot ook de VPRO/NPS zich aan bij de organisatie en werd de naam gewijzigd in Grote Geschiedenis Prijs. Sinds dit jaar doen ook het Nationaal Historisch Museum en Libris mee. De prijs heet nu Libris Geschiedenis Prijs en het prijzengeld is verdubbeld.
De jury, onder leiding van SCP-directeur Paul Schnabel, beoordeelt de boeken vooral op oorspronkelijkheid, leesbaarheid en historische degelijkheid.