Alle themapagina's

Bijna-oorlog met Venezuela

Politieke geschiedenis

Door: Bas KromhoutHN nr. 3/2010

3/2010Nederland en Venezuela raakten begin twintigste eeuw in een hoogoplopend conflict om Curaçao. Den Haag stuurde de marine eropaf om de Venezolaanse president een lesje te leren. Het doel was niets minder dan het omverwerpen van de regering in Caracas.

Op 26 november 1908 voeren Nederlandse marineschepen op oorlogssterkte het zeegat van Willemstad, Curaçao, uit. Koers: Venezuela. De schepen hadden de opdracht om elk Venezolaans vaartuig dat zij tegenkwamen aan te houden en op te brengen. Nederland had genoeg van de pesterijen en dreigementen die de regering van Venezuela zich sinds jaar en dag meende te kunnen permitteren. Dat moest maar eens afgelopen zijn.

In de Venezolaanse hoofdstad Caracas trok een president aan de touwtjes die luisterde naar de naam José Cipriano Castro Ruiz. Hij was vijftig jaar oud en oorspronkelijk afkomstig uit de bergachtige provincie Táchira in West-Venezuela, grenzend aan Colombia. Daar had hij achtereenvolgens gewerkt als employé van een handelshuis, llaneros (cowboy) en journalist. Hoewel hij behoorde tot de Spaanstalige middenklasse liet Cipriano Castro zich voorstaan op zijn afkomst uit de Andes. Zijn aanhangers creëerden de mythe van een door de elementen gestaalde andinos, die een Europese opleiding combineerde met de hardheid van een indiaan.

In de jaren 1870 was Castro verzeild geraakt in de politiek. Venezuela beleefde, sinds het land in 1829 onafhankelijk was geworden van Spanje, de ene revolutie na de andere. Castro kwam aan het hoofd te staan van een autonoom revolutionair bewind in Táchira, maar moest in 1892 vluchten naar Colombia. Zeven jaar later keerde hij terug met een guerrillaleger. In oktober 1899 trok Castro als overwinnaar Caracas binnen.

Hoewel zijn revolutie in naam was bedoeld om het liberalisme in Venezuela te herstellen, regeerde Castro net zo dictatoriaal als zijn conservatieve voorgangers. Hij had twee grote voorbeelden. In de eerste plaats was dat de legendarische onafhankelijkheidsstrijder Simon Bolívar, die van Venezolaanse afkomst was. Diens in 1829 gestichte Groot-Colombiaanse republiek, waartoe ook Venezuela behoorde, was al na een jaar uiteengevallen, en Castro droomde ervan deze mammoetstaat weer op te richten.

In de tweede plaats had Castro een mateloze bewondering voor Napoleon Bonaparte. Evenals de voormalige Franse keizer was Castro klein van stuk, en hij liet zich graag ‘de kleine korporaal’ noemen. De inwoners van Caracas konden hem dikwijls door de straten zien rijden, keizerlijk gezeten op een wit paard.

Dat was voor de meeste Venezolanen ook het enige pleziertje dat ze aan hun president beleefden. Hun land, economisch en financieel uitgeput na decennia van revoluties en burgeroorlogen, werd nog verder uitgezogen om Castro’s exuberante levensstijl te financieren. Volgens de Nederlandse sociaal-democratische parlementariër Henri van Kol, die in 1904 een verslag publiceerde van zijn reis door het Caribisch gebied, hield Castro in zijn paleis ‘ware orgieën’ en was ‘geen vrouw veilig voor zijn lusten’.

Van Kol noemde Castro ‘een Nero in miniatuur’; de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken Elihu Root omschreef hem als ‘een gestoorde bruut’. Tegenstanders van Castro’s regime verdwenen achter tralies, werden vermoord of vluchtten naar het buitenland. Een van oudsher populair toevluchtsoord was Curaçao.

De drie Benedenwindse Eilanden Aruba, Bonaire en Curaçao waren in 1634 in handen gekomen van de Nederlandse West-Indische Compagnie. Het grootste van de drie, Curaçao, leverde economisch het meeste op dankzij de trans-Atlantische handel in slaven en exotische producten.

Omdat Spanje elk handelsverkeer tussen zijn uitgestrekte koloniën en andere mogendheden verbood, kon Willemstad in het gat springen en een belangrijke stapelhaven worden. Maar in de loop van de achttiende eeuw stelde ook Spanje zijn havens open voor buitenlandse schepen. Bovendien kregen de Nederlanders concurrentie van de Engelsen, die vanaf Trinidad eveneens met het Zuid-Amerikaanse vasteland gingen handelen. Zo verloor Willemstad veel van zijn vroegere glorie.

De toenemende onrust in de Spaanse gebieden, waar nationalisten zich probeerden te ontdoen van de knellende banden met het moederland, bood de Nederlandse eilanden nieuwe kansen. Ze speelden een belangrijke rol voor de opstandelingen: als springplank, uitwijkplaats en tussenstation voor illegale wapenleveranties. De Venezolaanse generaal en opstandeling Francisco de Miranda trok zich in 1806 met zo’n driehonderd medestrijders terug op Aruba. Símon Bolívar deed, op de vlucht voor het Spaanse leger, in 1812 Curaçao aan.

Toen de revolutie in Venezuela in 1829 een succes was, vertaalden de goede relaties tussen het nieuwe bewind en de Nederlandse Antillen zich in diplomatieke erkenning en een handelsverdrag. Toch ontstonden er al snel wederzijdse irritaties.

Bolívar wist als geen ander welk risico met name Willemstad als smokkelhaven en potentieel toevluchtsoord voor politiek dissidenten betekende voor de veiligheid van zijn regime. Hij wilde de smokkelhandel tegengaan en de eigen economie bevorderen, door in het handelsverdrag met Nederland hoge invoerrechten te bedingen en kleine schepen te weren. Bolívars voorstel haalde het niet, maar de toon was gezet.

Na het uittreden van Venezuela uit de Groot-Colombiaanse republiek in 1830 bleven de bilaterale verhoudingen moeizaam en gecompliceerd. Nederland had niet alleen rekening te houden met Caracas, maar ook met de publieke opinie op de Antillen. Terwijl Den Haag vrienden probeerde te blijven met de Venezolaanse regering, waren de eilandbewoners op de hand van de oppositie.

Omdat zij economisch afhankelijk waren van de smokkelhandel, kon en wilde Nederland hier niet resoluut tegen optreden. Venezuela reageerde door van tijd tot tijd vermoedelijke smokkelvaartuigen die onder Nederlandse vlag voeren op te brengen, wat dan weer werd beantwoord met demonstratieve vlootoefeningen van de Nederlandse marine.

Om de zaak niet te laten escaleren besloot Nederland in 1870 te voldoen aan een verzoek van de Venezolaanse president Monagas om zijn politiek rivaal Antonio Guzmán Blanco, die vanuit Curaçao een staatsgreep wilde plegen, uit te leveren. Het besluit werkte voor de Nederlandse autoriteiten als een boemerang. Binnen de kortste keren grepen Blanco en zijn aanhangers in Caracas de macht. De kersverse president was vastbesloten de Nederlanders zijn uitlevering betaald te zetten.

Het begon ermee dat Blanco enkele schepen van de grote Curaçaose handelsfirma Jesurun – de ‘Rothschilds van de Cariben’ – liet opbrengen op verdenking van smokkel. Toen de Nederlandse zaakgelastigde in Caracas protesteerde, werd hij het land uit gezet. En nadat in 1874 opstandelingen tegen Blanco’s regime waren bevoorraad vanuit Curaçao, sloot de president de havens van Coro en Maracaibo voor Nederlandse schepen.

Zeven jaar later stelde Venezuela een invoerbelasting van 30 procent in op alle goederen die werden vervoerd vanuit de Europese koloniën in het Caribisch gebied. Deze zogenoemde ‘Antillenrechten’ dienden om buitenlandse concurrentie voor de eigen Venezolaanse havens te elimineren. Willemstad leed zwaar onder de maatregelen. Volgens Van Kol was het eens zo welvarende Curaçao verworden tot een ‘noodlijdend eiland’. Schepen lagen aan de ketting, plantages verkommerden. ‘De toestand dezer Nederlandsche kolonie begint hopeloos te worden.’

Er gingen rond de eeuwwisseling dan ook stemmen op voor een drastische oplossing voor het Antilliaanse probleem. ‘Er zit iets in de lucht!’ schreef Van Kol in 1904. ‘Voortdurend doemt het denkbeeld weer op in binnen- en buitenland, dat Nederland zijn West-Indische eilanden maar moest loslaten en verkoopen in ruil voor geldelijke of moreele voordeelen. Het zou niet de eerste maal zijn dat wij een kolonie loslieten, en in onze Imperialistische eeuw is dat denkbeeld gemakkelijker uitvoerbaar dan ooit, nu van alle zijden liefhebbers zich zouden melden.’

Er waren twee mogendheden, beide nieuwkomers op het mondiale politieke toneel, die mogelijk belangstelling hadden voor Curaçao. In de eerste plaats waren dat de Verenigde Staten. Nadat dat land zijn uiterste continentale grenzen had bereikt, zocht het naar expansiemogelijkheden overzee.

Al in 1823 had de toenmalige president James Monroe het gehele westelijke halfrond tot verboden gebied voor Europese kolonisators verklaard. Aan het eind van de negentiende eeuw namen de Amerikanen de Spaanse bezittingen op de Filippijnen en in de noordelijke Cariben in bezit. Door de aanleg van het Panamakanaal werd ook de rest van het Caribisch gebied van groot economisch en strategisch belang voor het land.

De tweede nieuwe grootmacht die een voet aan de grond probeerde te krijgen in Zuid-Amerika, was curieus genoeg Duitsland. Nadat in 1871 in Versailles het Duitse keizerrijk was uitgeroepen, ging het hooggeïndustrialiseerde land, dat de grootste bevolking van Europa herbergde, op zoek naar grondstoffen en overzeese markten voor zijn producten.

In Afrika en in mindere mate Azië lukte het de Duitsers eigen kolonies te stichten, maar op het westelijk halfrond was die mogelijkheid uiterst beperkt. Elke poging om reeds gedekoloniseerde landen in Zuid-Amerika onder Duits gezag te brengen zou onherroepelijk leiden tot conflicten met de andere grootmachten, met name de Verenigde Staten.

Vandaar dat Duitsland het over een andere boeg gooide. De regering in Berlijn probeerde met de voormalige Spaanse kolonies goede economische en diplomatieke betrekkingen aan te knopen en zo haar invloed in dat deel van de wereld te vergroten. Ook in Venezuela investeerden Duitse firma’s miljoenen rijksmarken, en in de stad Tovar ontstond een grote Duitse gemeenschap.

Dat de regering in Caracas liever Duitsers dan Nederlanders als buren had, bleek wel toen zij drie keer op rij – in 1875, 1879 en 1898 – aan Berlijn de suggestie deed om Curaçao te bezetten. De Duitse admiraals hadden daar wel oren naar, maar keer op keer stuitten zij op het veto van Buitenlandse Zaken. Op dat departement zat men niet te wachten op ruzie met Amerika.

In maart 1902 bereikte keizer Wilhelm II echter een bericht van de Duitse consul in Batavia, die hem verzekerde dat Nederland bereid zou zijn Curaçao te verkopen. De keizer gaf zijn ministers opdracht om de politieke gevolgen van zo’n deal te onderzoeken. Berlijn bezag met afgunst de steeds groter wordende macht van de Amerikanen, die op hun beurt hun oog hadden laten vallen op de Deense eilanden St.-Thomas en St.-Croix.

De chef-staf van de Duitse strijdkrachten, Otto von Diederichs, popelde om een tegenzet te doen. Hij overwoog serieus of Duitsland moest proberen behalve Curaçao ook Suriname in handen te krijgen, als ‘een demarcatielijn waarvoor het Amerikaanse expansionisme halt moet houden’. Het was te danken aan de Duitse ambassadeur in Washington, die waarschuwde voor de reactie van de Verenigde Staten, dat al deze plannen in een la verdwenen. Ook speelde mee dat de relatie tussen Duitsland en Venezuela in hoog tempo verslechterde.

Cipriano Castro ontpopte zich na zijn machtsgreep in 1899 tot een internationale lastpak, die er een gewoonte van maakte om de grootmachten tegen de schenen te schoppen. Dat had tot gevolg dat deze hun krachten tegen Castro bundelden. In december 1902 legden de Duitse, Britse en Italiaanse marines gezamenlijk een zeeblokkade voor de kust van Venezuela. Geen schip kon het land meer in of uit, en Duitse slagschepen bombardeerden Venezolaanse havens. Aanleiding was de weigering van Caracas om zijn torenhoge buitenlandse schulden te betalen.

Hoewel ook Nederland grote openstaande vorderingen had, nam het officieel niet aan de blokkade deel. Wel werd het Duitse marineschepen toegestaan om in Willemstad voorraden in te slaan. Omdat de Verenigde Staten ondanks de Monroe-doctrine niet ingrepen, moest Castro bakzeil halen. Hij stemde ermee in dat het Internationale Hof van Arbitrage in Den Haag zich over de verschillende schuldenclaims zou buigen. Overigens moest Nederland bij de verdeling van Venezuela’s inboedel achteraan in de rij staan.

Hoewel Castro had verloren, had het conflict met de imperialistische grootmachten zijn populariteit in eigen land goedgedaan. ‘Toen de havenplaatsen werden beschoten, en de Duitschers voet aan wal zetten, was er een algemeene geestdrift onder het volk om hun tiran te beschermen!’ schreef Van Kol vol onbegrip in zijn reisverslag.

Zich bewust van dit mechanisme, en omdat hij de Nederlandse steun aan de blokkade niet was vergeten, stuurde Castro aan op een nieuwe aanvaring met Den Haag. In oktober 1907 werden vijf Antilliaanse scheepjes door de Venezolaanse kustwacht opgebracht op verdenking van smokkel. Toen bleek dat de beschuldiging onterecht was, werden de opvarenden vrijgelaten, maar ze moesten wel hoge boetes betalen. Ook hadden de Venezolaanse douanebeambten de scheepjes zwaar beschadigd.

Half mei 1908 vaardigde Castro een aantal decreten uit, die de handel tussen Curaçao en Venezuela ondermijnden. Curaçaose schippers werden gedwongen hun lading in de onhandig gelegen havenstad Puerto Cabello over te schepen, terwijl zij normaal gesproken op Coro en Maracaibo voeren. Kleine handelsvaartuigen werden uit alle havens geweerd.

Het conflict escaleerde door een interview dat de Nederlandse consul in Caracas, De Reus, gaf aan het protestantse tijdschrift Hou en Trou. Door een vertaalfout van het Venezolaanse ministerie van Buitenlandse Zaken kreeg Castro te horen dat De Reus hem had uitgemaakt voor ‘een kwade geest’.
In het door en door religieuze Venezuela was dat een onvergeeflijke belediging. Op 20 juli 1908 kreeg De Reus zijn paspoort teruggestuurd en moesten hij en de andere Nederlandse diplomaten het land verlaten.

Voor de Nederlandse regering onder leiding van de antirevolutionaire premier Theo Heemskerk was de maat vol. Den Haag stelde Castro een ultimatum: als hij zijn decreten niet vóór 1 november introk, dan zou Venezuela de gevolgen hebben te dragen. Ondertussen polsten Nederlandse diplomaten de reactie van de Verenigde Staten, mocht Nederland tot militaire actie besluiten. De VS uitten geen bezwaren, zolang Nederland niet overging tot het bezetten van Venezolaans grondgebied.

Zoals te verwachten was, weigerde Castro te buigen voor het ultimatum. Nu was Den Haag weer aan zet. De regering gaf de marine opdracht om het ruime sop te kiezen. Met ingang van 26 november 1908 patrouilleerden Nederlandse oorlogsbodems voor de kust van Venezuela met de bedoeling elk schip te onderscheppen dat onder Venezolaanse vlag voer. Twee kustwachters, de Alix en de 23de Mayo, werden aangehouden en in Willemstad aan de ketting gelegd.

De blokkade was een fraai staaltje ‘kannoneerbootdiplomatie’. In eerste instantie ging het om een strafmaatregel, maar Den Haag hoopte op meer. In Caracas stond de positie van Cipriano Castro onder druk. Zijn eigen vicepremier Juan Vicente Gómez, een rijke grootgrondbezitter die eerder Castro’s revolutie had gefinancierd, keerde zich nu tegen hem. Nederland wilde met de blokkade de politieke ontwikkelingen in Venezuela versnellen en een verandering van regime forceren.

Dat lukte, zij het dat andere factoren zwaarder wogen. Al voordat de blokkade begon was Castro naar Europa afgereisd om een medische behandeling te ondergaan. Gómez zag zijn kans schoon en greep de macht. De omwenteling ging echter niet zonder slag of stoot, en tijdens straatgevechten tussen aanhangers van Gómez en Castro vielen drie grote apotheken van de Nederlander Thielen aan plundering ten prooi. Over de vergoeding van de schade zou nog jarenlang worden gesteggeld met het nieuwe bewind.

Niettemin mocht Nederland van een geslaagde actie spreken. De nieuwe president Gómez sloeg direct een andere toon aan dan zijn voorganger en benadrukte het belang van goede internationale verstandhoudingen. Op 21 december 1908 trok hij de omstreden decreten van Castro in. Twee dagen later riep Nederland zijn vloot terug naar de haven.

Voor de Venezolanen bracht de laatste machtswisseling nauwelijks verbetering. In het begin leek Gómez de bevolking meer vrijheden te gunnen, maar in de jaren twintig kreeg ook hij Castro-achtige trekken. Venezuela werd een politiestaat, die de eigen bevolking bespioneerde en elk begin van oppositie met geweld en gevangenisstraffen in de kiem smoorde.

Terwijl Gómez en zijn buitenlandse vrienden fortuinen verdienden aan de commerciële oliewinning, die vanaf begin twintigste eeuw een hoge vlucht nam, leed de overgrote meerderheid van de Venezolanen gebrek. Maar vanuit Nederland, dat dankzij de vestiging in 1916 van een raffinaderij op Curaçao een graantje meepikte van de Venezolaanse olie-boom, klonk dit keer opvallend weinig protest.

Afbeelding: José Cipriano Castro Ruiz (1902)






 
 
 

Nederlanders sloten duizenden Indonesiërs op zonder vorm van proces


Voor het eerst bekend: Nederland voerde massa-arrestaties uit. Vele Indonesiërs zaten jarenlang vast onder erbarmelijke omstandigheden.

Uit nieuw onderzoek dat deze maand verschijnt in Historisch Nieuwsblad, blijkt dat Nederlanders tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog eind jaren veertig duizenden strijders en burgers arresteerden. Vaak was niet duidelijk waarvan deze Indonesiërs werden verdacht. Toch werden ze onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten in interneringskampen.

Lees verder

Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat