Alle themapagina's

Diplomaat en belegger Coenraad van Beuningen (1622-1693)

Economische geschiedenis - Politieke geschiedenis

Door: Luc Panhuysen

HN nr. 3/2009Ineens spatte de zeepbel van vertrouwen uit elkaar

In de nadagen van de Gouden Eeuw speelde Coenraad van Beuningen een glansrol in de internationale diplomatie. Maar toen de Europese grootmachten – jaloers op haar succes – de Republiek in de houdgreep namen, kon hij die positie niet behouden. Bedwelmd door het blinde optimisme na het Rampjaar, verloor hij zijn fortuin – en verstand – in de beurscrash van 1688.
Amsterdam, 1688. Coenraad van Beuningen is onder curatele gesteld. De afgelopen dertig jaar heeft het publiek hem leren kennen als een wilskrachtig staatsman; nu is hij wilsonbekwaam verklaard. Zes keer was hij burgemeester van Amsterdam; nu wordt hij bewaakt door een knecht.

Hij is er erg aan toe. Hij wast zich niet meer en doolt in kimono door de gangen van zijn patriciërswoning aan de Amstel. Van Beuningen ziet overal duivels. Overdag en ’s nachts sissen demonen hem toe. Hij is een profeet geworden, die het einde der tijden verkondigt. Soms vaart de toorn Gods in hem. Dan jaagt hij zijn vrouw en personeel met een haardpook de straat op.

Van Beuningen was een van de bekendste slachtoffers van de beurscrash van augustus 1688. Het aandeel VOC was in vier dagen gekelderd van 575 naar 370 punten. Het verlies van Van Beuningen was catastrofaal. Een maand tevoren werd zijn vermogen nog op een half miljoen gulden geschat, nu had hij een schuld van een half miljoen. Van Beuningen raakte de weg kwijt, hij werd krankzinnig. Het geval gaf stof voor veel gegniffel en belandde in nieuwsbrieven aan de Europese hoven.

In jongere jaren had Van Beuningen een glansrol gespeeld in de internationale diplomatie. Van Londen tot Stockholm, van Wenen tot Parijs riep zijn naam een frons op – of een glimlach. In zijn hoogtijdagen was hij bekend om zijn onstuitbare woordenstroom en onuitputtelijke dossierkennis. Bijzonder was ook dat hij zich niet liet intimideren door wie hij tegenover zich had. Als het moest viel hij koningen in de rede.

Het verhaal van Coenraad van Beuningen is interessant omdat hij nauw betrokken was bij de politiek van de Republiek in onzekere tijden. Het land was op zoek naar zijn plek in de wereld. Politiek is de kunst van het mogelijke – in die zin lijkt een politicus op een beursspeculant. Het was de kunst om er een maximaal rendement uit te slepen.

Voor haar plaatsbepaling had de Republiek bepaald sterke troeven. Niet alleen kon zij bogen op de eerste effectenbeurs ter wereld, ze fungeerde tevens als mondiale stapelplaats. Van zijde tot specerijen, van hout tot haring: de wereld kon het in Nederland bestellen en door Nederlanders laten bezorgen. Tegenover deze troeven stond de geringe omvang van het land. Nederland telde niet meer dan 2 miljoen inwoners, tegenover 8 miljoen in Engeland en 20 in Frankrijk.

In de tweede helft van de zeventiende eeuw begon de kleine natie van Nederlandse kooplieden de druk te merken van haar eigen succes en pretenties. Steeds scherper voelde de Republiek de jaloerse blikken van Frankrijk en Engeland, de supermachten van die tijd, op zich gericht. Ze raakte verstrikt in de slangenkuil van de toenmalige grote politiek, waar keuzes moesten worden gemaakt met verreikende consequenties.

Moest het land voor zichzelf opkomen en met alle macht een plek voor zichzelf opeisen? Of was het verstandiger de grootmachten te vriend te houden, om kool en geit te sparen teneinde niet zelf te worden verschalkt? Van Beuningen stond vooraan als het ging om het maken van die keuze.

Ware Vrijheid
Coenraad van Beuningen werd in 1622 in Amsterdam geboren als een van de zes kinderen van Dirck Geurtsz van Beuningen en Catharina Burgh. Zijn milieu bepaalde voor een groot deel zijn toekomst: beide ouders hadden een vader die burgemeester van Amsterdam was geweest. Van Beuningen doorliep het geijkte pad voor regentenzoons: eerst de Latijnse school, daarna studeren in Leiden.

Hier viel hij al op door zijn snelle verstand, de breedte van zijn interesse en zijn onverzadigbare leergierigheid. Hij nam kennis van de nieuwe filosofie van René Descartes, maar ook van de jongste ontdekkingen op het gebied van natuuronderzoek. Zijn leeftijdgenoten in Leiden leerden Coenraad kennen als een jongen die zijn huiswerk had gedaan en anderen graag trakteerde op een wijsgerige improvisatie.

In deze periode volgde Van Beuningen ook een minder geëffend pad: hij bezocht in het plaatsje Rijnburg de bijeenkomsten der collegianten. Dit was een vrijzinnige religieuze stroming, die pleitte voor een universeel soort christendom. Het ware geloof sloot geen enkele gelovige buiten, van welke richting hij ook was. Wars van dogma’s en theologie lag bij de collegianten de nadruk op de beleving, op het directe contact met God. In Rijnburg nam dan ook een heel andere Van Beuningen aan het groepsproces deel: stil, teruggetrokken, geïmponeerd door zijn eigen kleinheid en de grootsheid van de kosmos.

Aanvankelijk wilde Van Beuningen zich met hart en ziel aan de collegianten verbinden. De mystieke inzichten, de verticale beweging van het ondermaanse kaarsrecht omhoog – het paste wonderwel bij zijn temperament. Maar zijn familie had andere plannen met hem. Zo’n knappe kop moest te gelde worden gemaakt. Hij werd secretaris van Nederlands grootste geleerde: Hugo de Groot. Het was iedereen in zijn omgeving duidelijk dat Van Beuningen het ver zou brengen. Dat hij die verwachtingen zou overtreffen, had te maken met een onverwachte politieke gebeurtenis.

In 1650 overleed de Prins van Oranje, Willem II, aan de pokken. Tot dan toe had Holland, het rijkste gewest van de Republiek, de macht met de prins moeten delen. Nu de stadhouder wegviel braken er gouden tijden aan voor de Hollandse steden, en voor regentenzoons. De periode van de Ware Vrijheid brak aan. Het gezag verschoof naar de provincie die het meeste geld had. En binnen die provincie concentreerde de macht zich in Amsterdam, met afstand de rijkste stad. Toen Van Beuningen in datzelfde jaar, 1650, door Amsterdam werd benoemd tot pensionaris, hoogste ambtenaar van de stad, lag de wereld dus voor hem open.

Havik
Van Beuningen hoorde bij het handjevol toptalenten van zijn tijd. Ze kwamen spontaan bovendrijven als er moeilijke problemen moesten worden opgelost of als het land vertegenwoordigd moest worden aan een onderhandelingstafel. Van Beuningen zou hierin een eigen koers varen. Tegelijkertijd werd zijn lot voor een belangrijk deel direct bepaald door de twee grote politieke figuren in deze periode.

De eerste was Johan de Witt, een generatiegenoot. De Witt was op de piepjonge leeftijd van 28 jaar raadpensionaris geworden van Holland, waarmee hij feitelijk de belangrijkste ambtenaar van het land was. Van Beuningen en De Witt konden het goed met elkaar vinden. Beiden regentenzoons, beiden belezen, beiden vooral voorstander van een politiek van vrede, handel, lage rente en vermeerdering van welvaart.

De tweede persoon was prins Willem III, het bleke kind dat acht dagen na de dood van zijn vader ter wereld was gekomen. De invloed van Willem III op Van Beuningens leven lag nog in de toekomst. Die zou uiteindelijk nog groter zijn dan die van De Witt.

De eerste belangrijke diplomatieke opdracht die hij van Johan de Witt kreeg bracht Van Beuningen naar Zweden. In Stockholm wachtte hem een wespennest. Driekwart van de Nederlandse koopvaart was gericht op de Oostzee, en dus afhankelijk van de doorgang bij de Sont, de engte tussen Zweden en Denemarken.
Omdat de Sont niet werd beheerst door één land, had de Republiek met beide voordelige toltarieven kunnen afspreken. Nu dreigde Zweden Denemarken aan te vallen. Als de Sont daardoor geheel in Zweedse handen viel, kon dat weleens vervelende gevolgen hebben voor de tolvaart.

Al snel openbaarde zich de tegenstelling tussen Van Beuningen en De Witt, die telkens zou terugkeren. Van Beuningen was voor de harde aanpak. Hij zag met eigen ogen dat de Zweden oorlogszuchtig waren en niet geïnteresseerd in de Nederlandse belangen. In Stockholm had men gezegd dat de sleutels tot de Sont in Zweedse handen lagen. Niks daarvan, had Van Beuningen geantwoord: ‘De houten sleutels liggen in de haven van Amsterdam.’

De Witt was voorzichtiger. Hij wilde eerst praten en onderhandelen voordat hij de lonten liet ontbranden. Het meningsverschil was cruciaal; het ging erom hoever de Republiek moest gaan met haar assertiviteit in de internationale arena. Van Beuningen en De Witt stonden tegenover elkaar als havik en duif. De havik kreeg gelijk. Pas na een paar gerichte acties in 1658 van luitenant-admiraal De Ruyter ontruimde Zweden de veroverde Deense gebieden.

In de jaren erna begon de Republiek de jaloezie van anderen op haar handel en welvaart sterker te merken. Steeds meer landen voelden zich door het Nederlandse succes benadeeld. Men redeneerde: wat de Nederlanders verdienen, verliezen wij. Om dit verlies tegen te gaan, trok Frankrijk een aantal tolmuren op. Wie kon er beter naar deze brandhaard worden gestuurd dan Van Beuningen?

De Amsterdammer was inmiddels geliefd en gevreesd in het internationale verkeer. Voorstanders zeiden: ‘Hij kan iemand de dood in redeneren.’ Tegenstanders klaagden: ‘Hij is beter in praten dan in luisteren.’ Van Beuningen was in het land van zelfkazende kooplieden gaan opvallen door zijn flamboyante stijl. Hij had elan, dat kon niemand ontkennen. Ook dat werd aan het Franse hof gewaardeerd. In 1662 werd door Van Beuningens toedoen met Frankrijk een verdrag gesloten dat de tariefmuren neerhaalde.

Inmiddels had hij een architect in de arm genomen, die voor hem een passend stadspaleis ontwierp. Zo kon hij in Den Haag de uitstraling hebben die hij vond dat hem paste. In 1668 werd het opgeleverd, een eerder groot dan mooi gebouw. Het stond niet in één van de rijke wijken van de hofstad, maar in het verpauperde Blijenburgh. Misschien liet hij het wel op zo’n onaanzienlijke plek bouwen om minder pottenkijkers te hebben. In zijn nieuwe huis ontving hij meer dames dan menig regent betamelijk achtte.

Zonnekoning
Van Beuningens verdrag met Frankrijk leek een succesverhaal, maar dat was schone schijn. De grootmachten vonden dat de kleine Republiek boven haar stand leefde. Engeland keek al decennia begerig naar de enorme Nederlandse handelsvloten die jaarlijks terugkeerden uit Indië en Smyrna. In 1665 viel Engeland zo’n Smyrna-vloot aan; de Tweede Engelse Zeeoorlog die vervolgens losbarstte duurde twee jaar. En nauwelijks was deze beproeving afgesloten met een voor Nederland voordelige vrede, of Frankrijk roerde zich opnieuw.

In 1667 viel de koning van Frankrijk met 55.000 man de Spaanse Nederlanden binnen, het gebied dat ongeveer samenviel met het huidige België. In Den Haag beschouwde men dit stuk grond als een noodzakelijke buffer tussen zichzelf en het grote, machtige Frankrijk. Al ruim twintig jaar had Parijs deze bufferzone gerespecteerd, maar de staatslieden van toen waren allang dood en begraven. Nu had de Republiek te doen met Lodewijk XIV, een jongeman met grootse plannen voor zichzelf. Hij liet zich ‘Zonnekoning’ noemen. Tijdens de inval in België liet hij zich door schilders en dichters vereeuwigen als Alexander de Grote en Caesar.

In een paar maanden tijd veroverde de Zonnekoning Vlaanderen en Franche-Comté. Als De Witt niet snel iets deed, was er binnenkort niets meer van de bufferzone over. In allerijl timmerde hij een bondgenootschap in elkaar met Engeland en Zweden. Doel van dit ‘Drievoudig Verbond’ was het terugdrijven van de Zonnekoning uit de Spaanse Nederlanden, goedschiks dan wel kwaadschiks. De Zonnekoning was tot in zijn merg beledigd. Een natie van kaasboeren en haringkakers mocht zich niet de positie van arbiter aanmeten. Lodewijk besloot de vernedering te wreken.

De Witt had het verdrag tot stand gebracht, Van Beuningen mocht het in Parijs aan Zijne Majesteit gaan presenteren. Het was geen gezellig gesprek. Na zijn terugkomst was Van Beuningen ervan overtuigd dat het kwaad in Parijs huisde en met alle wapens moest worden bestreden. Handelsembargo’s, militaire bondgenootschappen, een sterke vriendschap met de Engelse koning Karel II – alles was goed, als het maar hielp Frankrijk klein te houden.

Raadpensionaris De Witt was opnieuw de duif. Hij meende dat embargo’s en anti-Franse bondgenootschappen de koning slechts zouden provoceren. En vriendschap met Karel II vond hij helemaal onzinnig. Hij vond de Engelse koning een doortrapt en cynisch heerschap. Bovendien was deze ook nog eens de oom van Willem III, de inmiddels zeventienjarige telg van het Huis van Oranje, tegen wie hij een groot wantrouwen koesterde.

De kwestie van de verhouding tot Frankrijk verpestte de relatie tussen Van Beuningen en De Witt. De raadpensionaris vond de agressieve Van Beuningen een gevaar voor de staatsveiligheid. Tijdens de verkiezingen van 1671 wist hij te voorkomen dat Van Beuningen tot burgemeester werd gekozen.

De Witt had gelijk: Karel was niet te vertrouwen; voor gigantische subsidies had hij zich door Frankrijk uit het Drievoudig Verbond laten kopen. Maar Van Beuningens gelijk was groter: de Zonnekoning was uit op de vernietiging van de Republiek. In het geheim had Lodewijk de Engelse koning overgehaald samen met hem de Republiek te overvallen. In april 1672 verklaarden zij de oorlog aan de Nederlandse Republiek, even later gevolgd door de bondgenoten van Frankrijk, de bisschoppen van Munster en Keulen.

Beleggingsavontuur
Het Rampjaar was begonnen. In juni en juli veroverde het Franse leger in twee maanden tijd ruim veertig steden en bijna twintig vestingen. De wegen vulden zich met duizenden vluchtende gezinnen, hun schamele bezit op de rug. In Amsterdam vond de eerste beurscrash in de wereldgeschiedenis plaats. De vijand kon net op tijd door de waterlinie tot staan worden gebracht. Van de zeven provincies waren alleen Holland, Zeeland en Friesland nog vrij.

Maar de snelle veroveringen en het instortende gezag hadden bij de lage standen paniek en woede gezaaid. In augustus 1672 werden Johan en Witt en zijn broer vermoord, waarna het centrum van de macht geheel vrijkwam. Willem III nam in dat middelpunt plaats, waarna de gemoederen tot bedaren kwamen. Willem veranderde de samenstelling van de stadsbesturen in de Hollandse steden door er figuren van zijn voorkeur in te plaatsen.

Was Van Beuningen het jaar tevoren nog door toedoen van De Witt het burgemeesterskussen misgelopen, nu belandde hij dankzij de prins alsnog in het stadhuis. De periode van de Ware Vrijheid was ten einde. Willem meende met Van Beuningen een rotsvaste pilaar voor zijn eigen politiek in het Amsterdamse bestuur te hebben gepoot.

Maar ook nu liet Van Beuningen zich niet voor andermans politiek gebruiken. Na het Rampjaar wilde Willem de oorlog tegen Lodewijk XIV verbreden tot een wereldoorlog avant la lettre. Aanvankelijk was Van Beuningen voor dit idee te vinden; niemand twijfelde eraan dat de Zonnekoning een permanent gevaar betekende voor de Europese vrede. Alleen als Lodewijk door een gesloten blok tegemoet werd getreden, kon hij worden tegengehouden.

Van Beuningen wilde alleen dat de Republiek in deze strijd niet het leeuwendeel van de inspanning zou dragen. Willem daarentegen leek de hele Nederlandse schatkist voor uitsluitend dit doel te willen inzetten. In een paar jaar tijd verschoot het verenpak van Coenraad van Beuningen van kleur: hij werd duif. Amsterdam en de Republiek moesten handeldrijven, geld verdienen.

In 1684 vond de breuk plaats. Van Beuningen wist te voorkomen dat het Nederlandse leger werd vergroot, Willem III was razend. Tegen geschrokken collega-burgemeesters snauwde de prins dat zij hem Van Beuningens kop voor de voeten moesten smijten. Aan Van Beuningen zelf liet hij weten dat deze zich niet meer in Den Haag hoefde te vertonen. Hij was inmiddels over de zestig. Misschien was het een goed idee om eens met pensioen te gaan. Van Beuningen legde zijn publieke functies neer.

Hij werd actief op andere terreinen. Hij trouwde met de mooie en verwende Jacoba Bartolotti, een vroegere minnares. Het werd hem door vrienden afgeraden, Bartolotti stond bekend als een losbol. Maar zulke argumenten maakten op hem weinig indruk. Hij kon er zelf ook wat van. Met zijn wisselende damesbezoek aan het grote huis in Den Haag had hij de tongen losgemaakt. Met rode wangen hadden de mensen het gehad over zijn streng van losse vriendschappen en verliefdheden alsof hij een harem onderhield. Van Beuningen was wel het een en ander gewend.

Verschillende malen tijdens zijn diplomatieke carrière had hij de intense behoefte gehad om zich van de wereld af te keren. Op zulke momenten snakte hij ernaar de bombast van de hoven en de glitter van de politiek achter zich te laten en zich terug te trekken in zijn leessalon. De kiemen die bij de Collegianten waren gezaaid waren zich gedurende zijn hele leven blijven ontwikkelen. Hij bleef zoeken naar de fundamenten voor het ware christendom. Hij gaf met eigen geld het verzameld werk uit van Jacob Böhme (1575-1624), een Duitse mysticus die zich onder andere had laten inspireren door de alchemie en de astrologie.

Voorts ging hij op beleggingsavontuur. Hij verslond nieuwsbrieven en couranten om munt te kunnen slaan uit koersen van VOC-aandelen. Hij werd bovendien door diezelfde VOC gevraagd om de bedrijfsvoering eens door te lichten. Van Beuningen had helemaal geen tijd om met pensioen te gaan.

Gokker
De VOC belichaamde het economische wonder van de Nederlandse Republiek. In die jaren had de compagnie een vloot van en naar Azië in zee van meer dan 230 schepen. Verspreid over alle routes, pleisterplaatsen en factorijen had ze zo’n 18.000 personen in dienst. De winstcijfers lieten getallen met vele nullen zien. Van Beuningen zette zijn tanden erin. Zijn bevindingen waren zorgwekkend.

Meer dan honderd jaar later, toen de Compagnie failliet en opgeheven was, werd de afkorting VOC geherformuleerd als ‘Vergaan Onder Corruptie’. Van Beuningen had het kunnen verzinnen. Er waren veel te veel bureaucraten in dienst – ‘pennisten’ in zijn smalende bewoordingen. Meer dan duizend van hen kon hij nergens thuisbrengen. De cijfers in de rekeningen klopten van geen kanten; zeker viervijfde van de opbrengst bleef uit zicht. En dan de corruptie. Volgens hem werd er voor vele tonnen gefraudeerd. Hij kwam met plannen en berekeningen waarmee de compagnie wel vier of vijf miljoen zou kunnen bezuinigen. Van Beuningen kreeg een afgemeten bedankje, met zijn bevindingen werd niets gedaan.

In weerwil van de bedenkelijke bedrijfsvoering van de VOC werd op de beurs uitbundig met aandelen van de compagnie gespeculeerd. Het Rampjaar was voorbij, vrede en welvaart wenkten. Men sloot de ogen voor het feit dat Lodewijk XIV druk bezig was stukken van België en Luxemburg te annexeren. Men negeerde de opnieuw verrezen tolmuren rond Frankrijk. Speculeren maakte gelukkig; op de beursvloer stemde men vastberaden voor voorspoed. Het aandeel VOC bleef maar stijgen. Tot ieders verbazing klom het in 1688 hoger en hoger. De historische grens van 575 procent werd getoucheerd – zou het de 600 halen?

Van Beuningen liet zich bedwelmen door het aanstekelijke optimisme. Hij stapte in de almaar stijgende spiraal van klimmende koersen en kocht voor honderdduizenden guldens. De uiteindelijke crash was deels te wijten aan onverantwoord optimisme. Aan de andere kant was de werkelijkheid verrassender dan wat men zich in zijn wildste fantasieën had kunnen voorstellen.

Wat Van Beuningen en zijn medespeculanten de das om deed was een onderneming die gerust als de grootste gok uit de geschiedenis van de Republiek kan worden beschouwd. Willem III, Prins van Oranje, nam die gok. Al een tijdje was het iedereen opgevallen er op de Amsterdamse scheepswerven harder werd gewerkt dan anders. Er lag een rap groeiende vloot op het water te deinen zonder dat iemand met zekerheid kon vertellen wat daarmee ging gebeuren.

De één zei dat hij de Barbarijse zeerovers een lesje ging leren. De ander meende dat de vloot de uit de Levant terugkerende koopvaarders ging escorteren. Een enkeling haalde het idiote idee in zijn hoofd dat de schepen waren bedoeld om Engeland binnen te vallen. Dat laatste vond weinig geloof, vooral bij de vredeminnende beursspeculanten.

Maar in september was het zover: Willem III zeilde met een vloot van 500 schepen de Noordzee over en zette voet aan wal bij Torbay. Hij marcheerde naar Londen, de Engelse koning sloeg op de vlucht. De grote, glanzende zeepbel spatte uiteen, ineens was al het vertrouwen in de toekomst en de welvaart volkomen verdwenen. Het werd wel degelijk oorlog! En dat niet alleen: de oorlog zou nog groter, nog Europeser worden dan de voorgaande. Wekenlange paniek op de beursvloer was het gevolg.

De koersen stabiliseerden zich enkele maanden later weer enigszins. Maar Van Beuningen en velen met hem waren hun fortuin kwijt. Hij was een van de grote schuldenaars van de stad geworden. De ex-burgemeester kon de realiteit echter niet onder ogen zien. Met een weids gebaar bood hij het stadsbestuur van Amsterdam 1,4 miljoen gulden in VOC-aandelen aan ten behoeve van de armen. Hij begon bezit weg te geven; een keer gaf hij een compleet porseleinen servies weg dat zijn vrouw de dag erna weer moest ophalen. Hij werd vegetariër.

Zijn mysticisme, opgedaan bij de Collegianten, maakte nu een heftige opleving door. Van Beuningen zag vuurbollen boven de stad, die oplosten in kleine dansende vlammetjes. Was zijn woning vroeger een en al zoete inval, allengs werden de gasten zeldzaam. De enkele bezoeker werd door de gastheer gekruisigd met priemende vragen, want de hele wereld was ondergedompeld in blindheid en doofheid. Waarom zag niemand de voortekenen? Jazeker, er had een doodskist boven de stad gezweefd! En hoe kon het dat aandelen duizenden guldens opleverden bij een rente van niet meer dan drie procent? Ongerijmdheden die allemaal dezelfde richting uit wezen: naar Christus’ Wederkomst volgend jaar, 1689.

In zijn laatste levensjaren bevond Van Beuningen zich in een toestand van huisarrest. Hij hield tirades tegen de meid en de knecht. Zijn personeel joeg hem de stuipen op het lijf door te doen alsof het spookte in huis. Hij werd door de knecht geslagen. In 1693 overleed hij, straatarm en vergeten.

Willem werd koning van Engeland en zou zijn hele verdere leven wijden aan zijn obsessie: de krachtmeting met het machtige Frankrijk. De Republiek werd meegesleurd in het krijgsavontuur van een gokker, een continentale uitputtingsslag die pas met de Vrede van Utrecht in 1713 zou worden beëindigd. Dankzij Willem had de Republiek haar plek onder de zon weten veilig te stellen. Nederland had ondanks het Franse expansionisme zijn grenzen behouden. Maar het land was economisch uitgeput. Twintig jaar na de dood van Van Beuningen was de Gouden Eeuw definitief voorbij.


EEN FILOSOOF, EEN AANDEELHOUDER EN EEN KOOPMAN
De handel in effecten en aandelen was nieuw in de zeventiende eeuw. Het eerste boek erover werd geschreven door een in Amsterdam woonachtige sefardische Jood, José Penso de la Vega (1650-1692). De la Vega schreef het naar aanleiding van de crash van 1688 en de chaos en paniek die erop waren gevolgd – niet voor niets luidde de titel Confusión de Confusiones. ‘Verwarring der Verwarringen’ heeft de vorm van een gesprek tussen een filosoof, een aandeelhouder en een koopman.
Volgens De la Vega waren er drie soorten bezoekers van de effectenbeurs. Allereerst had je de ‘prinsen’: erfgenamen van hoeveelheden aandelen die genoegen nemen met de jaarlijkse uitkering van dividend. Daarnaast waren er de ‘handelaars’: rusteloze lieden die kochten om met koerswinst te kunnen verkopen. Ten slotte waren er de ‘gokkers’: zij die alles-of-niets speelden.
De la Vega kwam met een aantal vuistregels voor het beleggen die nog altijd hun relevantie hebben. ‘Denk niet dat uw goede fortuin en de gunstige omstandigheden voor eeuwig zullen duren; neem uw verlies. Het is het beste voordeel te pakken wanneer de kans zich weer aandient’. Over de verraderlijkheid van glibberige koersen en kloofdiepe tuimelingen: ‘Het ene moment zijn de aandelen diamanten, het andere moment zijn ze kiezels’. Een andere wijze raad had Coenraad van Beuningen zich ter harte kunnen nemen: ‘Hij die rijk wil worden met beursspeculatie, moet zowel in het bezit zijn van geld als van geduld’.


MEER INFORMATIE

Boeken
Het leven van Coenraad van Beuningen is nog altijd niet verfilmd, hoewel het er zich zeer voor leent. Zijn biografie is van 1931: Coenraad van Beuningen. Staatsman en Libertijn door C.W. Roldanus. Een ander standaardwerk is Coenraad van Beuningen’s politieke en diplomatieke aktiviteiten in de jaren 1667-1684 (1966), geschreven door M. Franken.
Over Van Beuningen als beursspeculant tijdens de crash van 1688 schreef F. Gaastra in In het verleden behaalde resultaten, onder redactie van H.W. van den Doel en G. Boom (2002).
Ook komt hij voor in Jonathan Israel ‘The Amsterdam Stock Exchange and the English Revolution of 1688’ in het Tijdschrift voor Geschiedenis 1990.
Van Beuningen was niet de enige knappe kop die gek werd in de tweede helft van de zeventiende eeuw. Hij en anderen komen schilderachtig aan hun einde in Gevaarlijke kennis, inzicht en angst in de dagen van Jan Swammerdam (2008) door Luuc Kooijmans.
Algemeen over de beurs: Rijk blijven. Het ijzersterke verhaal van 4 eeuwen Nederlandse rente en aandelen (2001), door Martien van Winden. Koersgegevens van het aandeel VOC voor de zeventiende eeuw zijn nog niet compleet; de Utrechtse onderzoekers Joost Jonker en Oscar Gelderblom zijn daar druk mee bezig.
De achttiende eeuw is wat dat betreft rijker bedeeld. Als pdf van internet te plukken: Kabaal aan de Amsterdamse beurs. Koersverloop en waardering van het aandeel VOC in de achttiende eeuw door René Willemsen. Het is de tweede titel onder de knop ‘Publicaties’ op www.asset-management.nl.





 
 
 

Hotel Van Dale

De Dikke Van Dale bestaat 150 jaar en dat wordt gevierd met Hotel Van Dale. Klik hier voor meer info en om kaarten te bestellen
 

Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat