Alle themapagina's

Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619)

Door: Luc Panhuysen

HN nr. 7/2008Hoe een dreamteam uiteenviel

Johan van Oldenbarnevelt voelde zich nergens zo thuis als in de politieke arena. In een perfecte samenwerking met stadhouder Maurits stelde hij de Republiek veilig. Maar hij was ook koppig, nurks en autoritair. De Republiek moest worden wat hij voor ogen had, zelfs als dat te hoog gegrepen was. En dat kostte hem de kop.

Het nationale monument voor Johan van Oldenbarnevelt (1547-1619) staat aan de Hofvijver in Den Haag. Je loopt het gemakkelijk voorbij. Vanaf een hoge zetel kijkt Oldenbarnevelt zo ingespannen in de verte dat hij eigenlijk niet aanwezig is. Zwaar en donker steekt zijn blik de Hofvijver over en vestigt zich op het Binnenhof, het complex waar hij zijn macht opbouwde, waar hij zijn vooraanstaande plaats in de Nederlandse geschiedenis verwierf en waar hij na zijn val met veel tamtam werd onthoofd. Als monument is hem niet meer vergund dan een bestaan als banneling, veroordeeld tot een plek buiten het centrum van de macht.
Zijn sombere blik hoeft ons niet te verwonderen, want nergens achtte Johan van Oldenbarnevelt zich beter op zijn plaats dan juist in de politieke arena. Hij stond daarin niet alleen. Conrad Busken Huet omschreef hem als ‘de eigenlijke grondlegger’ (naast Willem van Oranje) van de Nederlandse staat en roemde zijn ‘rusteloze werkzaamheid’ en ‘onuitputtelijke vindingrijkheid’. Jan en Annie Romein vonden hem ‘waarlijk weergaloos’ en portretteerden hem als de eerste burger die het tot politicus van wereldformaat schopte. Zijn meest recente biograaf Ben Knapen noemt hem ‘briljant’.

Gekke Gerritje
Johan van Oldenbarnevelt werd in 1547 geboren in Amersfoort onder niet erg gunstige omstandigheden. Zijn vader, Gerrit Oudenbarnevelt, was een herenboer met een vulkanisch temperament en losse handjes. In de buurt genoot hij de bijnaam ‘gekke Gerritje’. Nadat Gerrit iemand had vermoord, sloeg hij op de vlucht. Twee zussen en één broer zouden aan lagerwal raken; Johan zelf vertoonde reeds op vroege leeftijd de kenmerken van een sociale stijger. Hij doorliep de Latijnse school en studeerde rechten in Leuven en Heidelberg. Later zou hij zijn maatschappelijke vooruitgang proberen veilig te stellen door een zelfverzonnen stamboom. Die maakte hem tot een telg uit het ‘oude adellijke geslacht Oldenbarnevelt’, dat zelfs in het bezit was van een kasteel.
In 1569 vestigde Oldenbarnevelt zich als beginnend advocaat in Den Haag. Hier werd hij meegesleurd in de grote gebeurtenis van zijn tijd, het begin van de Nederlandse Opstand tegen Spanje. Oldenbarnevelt was in dienst van het Hof van Holland, dat als rechtscollege trouw was verschuldigd aan Philips II, koning van Spanje. In 1572 week het Hof met zijn advocaten uit naar Utrecht; Oldenbarnevelt bleef in Den Haag en koos voor de Opstand en de prins van Oranje. Het was een gevaarlijke keuze, want in Spaanse ogen waren opstandelingen voer voor de beul. Maar Oldenbarnevelt bezat de moed van een beroepsgokker: het was alles of niets.
De Opstand schiep een chaos waarvan Oldenbarnevelt spoedig de mogelijkheden zou benutten. De clandestiene regering van Willem van Oranje richtte een eigen standenvergadering en een eigen gerechtshof op, waar nieuw talent alle kans kreeg zich te bewijzen. In deze periode voerde de jonge advocaat een tweede manoeuvre uit die zijn kansen op de maatschappelijke ladder moest doen stijgen: hij verloofde zich met Maria van Utrecht, oogappel van een steenrijke oom, een Delftse regent.
Helaas bezet Maria een gecompliceerd doopceel. Als bastaardkind van de reeds overleden zuster van deze oom viel ze volgens het gebruik buiten de erfenis. Oldenbarnevelt vond echter een oude zeeman, die onder ede verklaarde haar vader te zijn. Hierdoor werd Maria ‘habiel om te erven’. Het huwelijk vond plaats in 1575. De zoon van gekke Gerritje was in één klap eigenaar geworden van vijf heerlijkheden en het grootste vermogen van de stad Delft.
Eind 1576 steeg Oldenbarnevelt opnieuw een sport op de ladder. Hij was nog maar 29 toen hij werd gevraagd pensionaris te worden van de stad Rotterdam. De pensionaris – een soort gemeentesecretaris – was de hoogste (en vaak enige) ambtenaar in een stad. Hij was tevens automatisch afgevaardigde namens zijn stad in de vergaderingen van Holland. Oldenbarnevelt verkeerde nu dagelijks op het Binnenhof. Hier raakte hij in de ban van Willem van Oranje, de prins die in tien jaar tijd was uitgegroeid tot de onbetwiste leider van de Opstand. Willem van Oranje is waarschijnlijk de enige persoon geweest voor wie Oldenbarnevelt werkelijk bewondering heeft gekoesterd.
De jonge pensionaris werd een van de vele anonieme helpers van Oranje. Hij maakte deel uit van commissies. Hij regelde geld voor de troepen. Hij verleende tal van hand- en spandiensten. Maar al snel bleek dat zijn ambitie en kundigheid verder reikten dan die van regelneef en waterdrager. Toen de vergadering zich boog over het ontwerp van de Unie van Utrecht, de tekst die tot het einde van de Republiek als een soort grondwet zou fungeren, sleutelde Johan vlijtig mee aan de teksten.

Natuurlijke bondgenoten

Zijn echte opgang werd echter mogelijk gemaakt door een drama. Op 10 juli 1584 werd Willem van Oranje vermoord door Balthasar Gerards. In de noodsituatie die volgde, hield de pensionaris van Rotterdam het hoofd koel. De soldaten moesten worden doorbetaald, er moest worden geïmproviseerd; Oldenbarnevelt was overal tegelijk. Twee weken na de moord kreeg hij opdracht om de defensiebegroting te maken. Hij kreeg tevens de leiding over de commissie die de begrafenis van Willem van Oranje organiseerde. Een maand na de moord liep hij mee in de lange rouwstoet, samen met Willems 16-jarige zoon Maurits.
Oldenbarnevelt was bijna veertig en ontpopte zich alras tot de politiek erfgenaam van Willem van Oranje. In 1586 werd hij benoemd tot landsadvocaat van Holland, het ambt dat hij tot zijn dood zou bekleden. Op dat moment behelsde die positie weinig meer dan het voorzitterschap van de Hollandse Staten. Oldenbarnevelt bouwde de functie razendsnel uit tot een leidende, regisserende en coördinerende rol. De Opstand had met Willem van Oranje zijn vader verloren, Oldenbarnevelt werd haar doortastende stiefvader.
Dat was ook hoognodig. De toekomst zag er zorgwekkend uit voor de opstandelingen. Het Spaanse leger werd geleid door de briljante hertog van Parma. In korte tijd veroverde Parma Vlaanderen en Brabant, in 1585 viel Nijmegen. De hertog naderde en de opstandelingen voelden zich te zwak om de vijand alleen te weerstaan. Daarom vroegen ze de Engelse koningin Elizabeth om bescherming. Als Elizabeth een leger en aanvoerder stuurde, zouden de opstandige gewesten haar – onder tal van voorwaarden – als vorstin erkennen. Eind dat jaar arriveerde haar favoriet Robert Dudley, graaf van Leicester, als redder in nood. Formeel stond de opstand nu onder diens leiding. Maar Leicester was weinig effectief. Hij joeg de rijkste steden tegen zich in het harnas en bleek een pover veldheer.
In enkele jaren tijd volbracht Oldenbarnevelt een politiek huzarenstuk: eerst wist hij Leicester weg te werken met behoud van het Engelse bondgenootschap, vervolgens vestigde hij de Hollandse oppermacht over de andere opstandige provincies. In dit proces werden Oldenbarnevelt en Maurits natuurlijke bondgenoten. De combinatie van hun talenten maakte Leicester overbodig: de landsadvocaat werd politiek en Maurits militair leider. De basis was gelegd voor een samenwerking die bepalend zou zijn voor het welslagen van de Opstand en het veiligstellen van wat later de Republiek der Zeven Verenigde Provinciën zou gaan heten. Het was niet langer nodig om een vorst uit het buitenland te importeren, de provincies konden het nu zelf af.
De samenwerking tussen Oldenbarnevelt en Maurits was voorbeeldig. Oldenbarnevelt zorgde dat er kon worden gevochten en geregeerd: hij was premier, minister van buitenlandse zaken, financiën en defensie ineen. Maurits voerde de vastgestelde opdrachten uit en bleek over een uitzonderlijk militair talent te beschikken. Wat in de samenwerking aanvankelijk zeer vergemakkelijkte was het leeftijdsverschil van twintig jaar. Oldenbarnevelt behandelde Maurits als junior partner en deze schikte zich daarin. Velen vonden de landsadvocaat autoritair en nurks. Aanvankelijk liet de stadhouder zich alles welgevallen, maar het ontging de oudere heer dat zijn gedrag ongepast werd naarmate Maurits’ faam toenam.

Zeeroversnest
Tot dan toe had het Nederlandse leger slechts verdedigd. In 1591 besloten de Staten-Generaal voor het eerst tot de aanval over te gaan. Maar waarop moest deze zich richten? De Friezen hadden hun eigen voorkeur, de Hollanders, de Zeeuwen, de Engelse en Franse bondgenoten ook. Oldenbarnevelt bracht eenstemmigheid aan in de kakofonie, waardoor de beschikbare manschappen en financiën konden worden gebundeld. Mede daardoor werd het een bijzonder succesvolle campagne: Zutphen werd heroverd, daarna Deventer en tot slot Delfzijl. Het jaar daarop werden de strategische vestingen Coevorden en Steenwijk bezet. Ieder jaar bewoog de grens van de bevrijde provincies zich weer iets verder zuid- en vooral oostwaarts. Gestaag breidde het grondgebied van de opstandelingen zich uit.
Oldenbarnevelt was de onbetwiste spil in de regering. Alleen wanneer hij de vergadering voorzat werden er knopen doorgehakt. Als geen ander wist hij de weg in een overlegstructuur en -cultuur waarin zoveel belangen meewogen. Maar in dit labyrint van gevoeligheden was het onbegonnen werk iedereen te vriend te houden. Het hoogst haalbare was om de belangrijkste partijen niet tegen het hoofd te stoten. En daar ging het uiteindelijk mis.
Amsterdam was als rijkste en grootste stad van Holland een partij om te koesteren. Het waren Amsterdamse kooplieden die met hun winsten mede de oorlog bekostigden. Zij drongen er sterk op aan de koopvaardijvloot te beschermen tegen de Duinkerker kapers. De tijd was rijp, vond ook Oldenbarnevelt, voor een aanval over land op het zeeroversnest aan de Belgische kust. Maurits voelde er niets voor. Duinkerken lag enkele dagmarsen in vijandelijk gebied. Maurits beperkte zich liever tot belegeringen; een veldtocht was met te veel onzekerheden omkleed.
Niettemin drukte Oldenbarnevelt zijn zin door. De operatie, die culmineerde in de Slag bij Nieuwpoort, werd de meest hachelijke expeditie uit Maurits’ hele veldheerschap. Slechts met veel geluk en verliezen wist hij de slag tot een goed einde te brengen en met een aftocht af te sluiten. Maar het kapersnest had hij niet bereikt, laat staan veroverd. Het koningskoppel Oldenbarnevelt-Oranje liep een eerste deuk op. Geruchten wilden dat Maurits de landsadvocaat bij thuiskomst een klap in het gezicht zou hebben gegeven.
In de bestuurscultuur van geven en nemen was veel mogelijk, als tenminste geen van de partijen zich onverzoenlijk opstelde. Oldenbarnevelt verkende de grenzen van de mogelijkheden en bruuskeerde die als hij dat nodig vond. Hij was een driftkop, die soms nodeloos bot kon optreden. Maar dat waren ongelukjes, want hij wist als geen ander dat hij alle verschillende partijen ooit weer nodig kon hebben. Polarisatie en partijstrijd strooiden slechts zand in de machinerie. Oldenbarnevelt probeerde de belangrijkste belangen zo goed mogelijk te laten samenvallen. Na 1600 werd echter duidelijk dat sommige belangen werkelijk tegengesteld waren.

Bestandstwisten
Maurits was inmiddels een vermaard staatsman geworden, wiens status was verbonden met zijn verrichtingen als veldheer. Wie aan de oorlog kwam, kwam aan hem. Maar in het eerste decennium van de zeventiende eeuw begonnen veel burgers oorlogsmoe te worden. De schatkist van Holland was overbelast. Bovendien, riepen velen, was er onderhand wel genoeg op de Spanjaarden veroverd. Toenadering van de failliete Spanjaarden maakte vredesonderhandelingen vervolgens onafwendbaar.
De verhouding tussen Oldenbarnevelt en Maurits was er ondertussen niet beter op geworden. Na Nieuwpoort had Oldenbarnevelt de kapitein-generaal nog een keer tegen zijn zin met een kansloos militair avontuur opgescheept, ditmaal naar Oostende. De relatie was grondig bekoeld. Zo weigerde de stadhouder te verschijnen op het huwelijksfeest van Oldenbarnevelts zoon. Maar de landsadvocaat liet zich door niets weerhouden. Hij wilde vrede; en als hij iets wilde, dan kreeg hij het ook.
In 1609 sloten Madrid en Den Haag een wapenstilstand die zou aflopen in 1621: het Twaalfjarig Bestand. Een echte vrede was het dus niet geworden, maar een opschorting van de vijandelijkheden. Het Bestand deed de verhouding tussen de landsadvocaat en de bevelhebber nog verder verslechteren. Het zou bijna tien jaar duren, maar ten slotte zouden Oldenbarnevelt en Maurits, de mannen van het dreamteam, met bebloede koppen tegenover elkaar komen te staan.
Het Bestand bracht niet de rust waar Oldenbarnevelt op hoopte. Integendeel, door de vrede kwamen tal van sluimerende tegenstellingen in de jonge Republiek tot een uitbarsting. Veel van de zogeheten ‘Bestandstwisten’ kwam voort uit religieus-politieke spanningen. In de zeventiende eeuw was geloof een wezenlijk onderdeel van het dagelijks bestaan. Het kon een samenleving tot in al haar geledingen in beroering brengen.
Het conflict had zijn wortels in een academische controverse tussen twee Leidse hoogleraren: Arminius en Gomarus. Arminius had de strenge leer van de voorbeschikking (predestinatie) willen verzachten. Gomarus vond het een gruwel: God had nu eenmaal besloten wie Hij genade schonk en wie niet; de mens kon hier verder niets meer aan veranderen. Na 1609 breidde het geschil zich uit, nu stonden er ‘arminianen’ tegenover ‘gomaristen‘, die elkaar met geschriften om de oren sloegen en daarna respectievelijk ‘remonstranten’ en ‘contraremonstranten’ werden genoemd. Wie had gelijk?
Door deze kwestie kwam de relatie tussen Kerk en Staat op scherp te staan. Het calvinisme was de officiële staatskerk van de jonge Republiek geworden. Mocht de staat zich met die kerk bemoeien? Oldenbarnevelt vond, samen met onder anderen zijn medestander Hugo de Groot, van wel. De staat moest het kerkelijke leven religieuze tolerantie opleggen, zodat rekkelijk en precies elkaar verdroegen. De remonstranten waren voor, de contraremonstranten faliekant tegen.
De kwestie verdeelde de samenleving van hoog tot laag, al moet worden gezegd dat de meeste remonstranten zich in de Hollandse steden bevonden. Er verschenen pamfletten, er werd vanaf de kansels gedonderd en getierd, er waren opstootjes en relletjes. Oldenbarnevelts tolerantie was te hoog gegrepen, maar de landsadvocaat wilde haar doordrammen, desnoods met de zweep. Zo liet hij in Utrecht opstootjes van contraremonstranten hardhandig neerslaan.

Showproces
Dat was in 1610. Oldenbarnevelt had zijn keuze in het conflict vroegtijdig gemaakt. Maurits echter hield zijn kruit droog. Totdat hij in 1617 demonstratief een dienst van de contraremonstranten bijwoonde in de Haagse Kloosterkerk, nota bene gelegen naast het woonhuis van de landsadvocaat. Maurits’ redenen waren divers, maar zijn groeiende afkeer van Oldenbarnevelt speelde een hoofdrol. Met deze kerkgang was de teerling geworpen en de landsadvocaat reageerde onmiddellijk. Oldenbarnevelt lanceerde de ‘scherpe resolutie’, die de Hollandse steden het recht gaf om waardgelders aan te nemen, uit de burgerbevolking gerekruteerde huurlingen. Nu konden de remonstrantse steden zich tegen Maurits’ leger verdedigen.
Theoretisch stuurde Oldenbarnevelt aan op een burgeroorlog. Het was een provocatie die Maurits beantwoordde met subtiliteit. Geduldig, alsof het een belegering betrof, won hij met diplomatie en dwang de ene na de andere stad voor zich, waarna hij er ‘wetsverzettingen’ (veranderingen van magistraat) doorvoerde. Na een halfjaar had hij Oldenbarnevelt en Holland volledig geïsoleerd. Zo kon hij in juli 1618 in Utrecht op triomfantelijke wijze de waardgelders afdanken. Oldenbarnevelt moet toen nattigheid hebben gevoeld.
De Republiek was hem dierbaar, maar Oldenbarnevelt was gevaarlijk ver gegaan in zijn genegenheid. Om zijn vaderland te redden riskeerde hij een burgeroorlog. Hier was de gokker weer aan het werk. Maar de Republiek kon zich geen burgeroorlog permitteren. Het Twaalfjarig Bestand liep bijna af. Als de Spanjaarden straks aanvielen, moesten opnieuw alle krachten worden samengebald. De prille staat had de genegenheid van Oldenbarnevelt niet nodig, ze redde zichzelf – door haar stiefvader te verslinden.
Een maand na de afdanking van de Utrechtse waardgelders werden Oldenbarnevelt en zijn prominente medestanders, de Leidse pensionaris Rombout Hogerbeets, de Utrechtse secretaris Gillis Ledenberg en de Rotterdamse pensionaris Hugo de Groot, gevangengenomen. Ledeberg pleegde zelfmoord, Hogerbeets en De Groot kregen levenslang. De landsadvocaat werd het middelpunt van een maandenlang showproces, dat enkel met zijn dood kon eindigen. Hij weigerde om genade te vragen, want hij was immers onschuldig.
Op 13 mei 1619 beklom Oldenbarnevelt, 72 jaar oud, het schavot dat was opgericht op het Binnenhof. De beul stond al klaar met zijn zwaard. Oldenbarnevelt wendde zich tot het duizendkoppige publiek met de woorden: ‘Mannen, geloof niet dat ik een landverrader ben; ik heb eerlijk en vroom gehandeld als een goed patriot.’ Zijn allerlaatste woorden waren gericht tot zijn trouwe knecht Jan Francken. Terwijl Francken zocht naar woorden voor een passend afscheid, onderbrak Oldenbarnevelt hem wrevelig: ‘Maak het kort, maak het kort.’


Meer informatie

Boeken
Over Johan van Oldenbarnevelt verscheen in 2005 De man en zijn staat. Johan van Oldenbarnevelt, 1547-1619, door Ben Knapen. Wie meer geduld en uithoudingsvermogen heeft, kan zich wagen aan de vijfdelige biografie Johan van Oldenbarnevelt (1980), geschreven door Jan den Tex en Ali Ton. Hoewel veel lezers om dit werk heen lopen, bevat het een schat aan informatie. Ook nog steeds de moeite van het lezen waard is het beroemde Erflaters van onze beschaving. Nederlandse gestalten uit zes eeuwen van Jan en Annie Romein. Het portret van Oldenbarnevelt staat in deel 3, uit 1939. Het lekkerst om te lezen is Geert H. Janssens Het stokje van Oldenbarnevelt (2001), een boekje uit de Verloren Verleden-reeks. De laatste momenten van de grote man staan beschreven in Thomas Roosenboom en René van Stipriaan: Het einde van Johan van Oldenbarnevelt [beschreven door zijn kecht Jan Francken] (2005).







 
 
 

Nederlanders sloten duizenden Indonesiërs op zonder vorm van proces


Voor het eerst bekend: Nederland voerde massa-arrestaties uit. Vele Indonesiërs zaten jarenlang vast onder erbarmelijke omstandigheden.

Uit nieuw onderzoek dat deze maand verschijnt in Historisch Nieuwsblad, blijkt dat Nederlanders tijdens de Indonesische onafhankelijkheidsoorlog eind jaren veertig duizenden strijders en burgers arresteerden. Vaak was niet duidelijk waarvan deze Indonesiërs werden verdacht. Toch werden ze onder erbarmelijke omstandigheden opgesloten in interneringskampen.

Lees verder

Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat