Alle themapagina's

Omvang christenslavernij onderschat

Algemeen - Historiografie - Sociale geschiedenis

Door: Maurice Blessing

HN nr. 5/2008‘Wie koopt een kristen?’

De memoires van Europese slaven in islamitisch Noord-Afrika zijn lang afgedaan als ‘zielige verhalen’. In enkele gevallen is er zelfs opzichtig met cijfers gesjoemeld om het fenomeen te kunnen minimaliseren. Maar recente buitenlandse studies tonen aan dat de slavernij van christenen in ‘Barbarije’ geen marginaal verschijnsel was, en het lot van de slaven weinig benijdenswaardig.

Op de fatale ochtend van 9 november 1678 wordt Cornelis Stout door de bemanning van de Sint-Joris gewekt. ‘Hé luilak, je wilde toch een mooie zonsopgang zien? Kom op dan!’ Aan dek waait een zachte bries, die Cornelis in zijn linnen hemd doet huiveren. De ‘Spaansche Zee’ ligt er hier ter hoogte van de Portugese eilandengroep Berlingas bijna rimpelloos bij. In de verte, waar zich ergens het Iberisch vasteland moet bevinden, een wassende feloranje gloed. ‘Ick dan daarop boven in de mast geklommen, schepte vast vermaack in het sien opcomen van de son,’ noteert Stout jaren later in zijn memoires.
Het zijn de laatste onbewolkte herinneringen van de Schiedamse kuiper, die de economische malaise in de Republiek tracht te ontlopen door zich met zijn vrouw Christina en twee kleine kinderen in de nieuwe Zeeuwse kolonie Suriname te vestigen. Even later verschijnt loefwaarts een zeil. Nee, twee. En onder de wind nog drie, verdomme. ‘Dit veroorsaackte swaare gedaghte.’ Ze zien Engelse vlaggen wapperen op de tergend langzaam naderende schepen en hijsen zelf uit voorzorg de Franse vlag. Maar de achtervolgers wijken niet van hun koers.
Tegen de middag komt het eerste schip langszij. Het hijst de ‘Turckse vlagge’ en richt zijn boordkanonnen op de Sint-Joris. ‘Een kogel door onse boot waaijende, sloegh mijn daar ontrent staande de splinters om de ooren, een ander wierd door de fock gedreve.’ Er zit voor de bemanning van de Sint-Joris niets anders op dan zich over te geven. Cornelis spoedt zich benedendeks, op zoek naar zijn ‘beminde huijsvrouwe en twee onnosele kinderen’. Maar: ‘de hulp die ick haar doen konde, was evensooveel als die van een schaap aan sijn lammeren, wanneer het met deselve van een geheele kudde overvallen ten algemeen prooij wordt verslonden’.
De overvallers blijken kapers uit Algiers te zijn en Cornelis wordt met zijn gezin, de overige opvarenden en de rijke lading aan boord van het kapersschip de Kalbas gebracht. Daar worden ze van hun laatste persoonlijke bezittingen beroofd, tot hun kousen en schoenen aan toe. Een renegaat, een tot de islam bekeerde christen, slaat de mannen in de boeien. Cornelis omschrijft hem als een ‘wreed mensch voorsien met een touw vol knopen waarvan wij menighmaal proef kregen. Sijn slooten waren effe te wijt ofte te engh, vel en vlees scheurde hierdoor menighmaal en bleef aan het ijser kluijsterwerck hangen.’ De vrouwen en kinderen krijgen een plaats toegewezen bij de kanonnen op het dek. Bij ruw weer worden zij ‘met pekel nat. Uijt de slaap van boven en onder natgemaackt ontwaackt, waren stijff van nat en koude’.
Er worden nog vijf andere schepen buitgemaakt voordat de Kalbas terugkeert naar Algiers. Maar omdat vijandige Engelse schepen de toegang tot de haven versperren, moet er worden uitgeweken naar het concurrerende kapersnest Tunis. Daar wordt Cornelis op 31 december – de dag waarop hij op de kop af tien jaar getrouwd is – met zijn gezin naar de slavenmarkt gebracht. De handel is echter slap. Niemand wil het hele gezin kopen, en omdat de kapitein van de Kalbas heeft gezworen de familie niet op te splitsen en hij zijn woord houdt, keren ze op 4 januari terug aan boord. Slechts de koksjongen en een Amsterdamse ‘vrijstter’ hebben een koper gevonden.
Op 9 februari komt de familie Stout eindelijk in Algiers aan. De ochtend daarop wordt Stout met zijn zieke vrouw en kinderen naar de markt gebracht. ‘Hadden een grooten drangh van menschen om ons,’ schrijft Stout. ‘Telckens mosten wij overendt om besien te worden off oock gesondt waaren en of iets kreupels en verminckt aan ons was: sommigen van deese gasten soghten en besagen oock de mondt; alles most beschouwt worden!’ Dan begint het bieden. ‘Wie koopt een kristen?’ roept de verkoper. ‘Het hooghste bodt wierdt met krijt op de bol van mijn hoedt en mijn vrouw op haar borst geschreven.’ Ditmaal treft de familie een geïnteresseerde ‘patroon’ en gaat met hem naar huis: het blijkt de zwager te zijn van de kapitein van de Kalbas.

Genocide
Het relaas van Cornelis Stout over zijn ervaringen als slaaf in ‘Barbarije’ – naar ‘Berbers’, de oorspronkelijke inwoners van de huidige Noord-Afrikaanse kuststaten Libië, Tunesië, Algerije en Marokko – is in 2006 voor het eerst gepubliceerd. Stouts verhaal komt op de moderne lezer vreemd en tegelijkertijd vertrouwd over. Vreemd, omdat ons beeld van het oeroude fenomeen slavernij sinds decennia wordt gedomineerd door zwarte Afrikanen die door blanke handelaren naar de Nieuwe Wereld werden verscheept om daar aan blanke plantagehouders te worden verkocht. De Europeaan is in deze archetypische voorstelling altijd de wrede dader, de Afrikaan het veelal wil- en identiteitsloze slachtoffer. Het wekt daarom verwondering als blanken ook slachtoffer blijken te zijn van Afrikaanse slavernij, ook al zijn de handelaren Arabieren.
Tegelijkertijd komt het verhaal van Stout vertrouwd over. De behandeling van de christenslaven op de slavenmarkt roept associaties op met de handel in zwarte slaven zoals we die kennen uit de schoolboekjes. Ook de elf weken durende helletocht op de Kalbas, gekenmerkt door mishandeling, angst, ziekte, honger en kou, doet onwillekeurig denken aan de ontberingen van zwarte slaven zoals verbeeld in populaire televisieseries en films als Roots en Amistad.
Het is precies deze mix van bevreemding en vertrouwdheid die de ‘niet-westerse slavenhandel’ voor westerse onderzoekers tot een potentieel mijnenveld maakt. In 2004 publiceerde de Franse historicus Olivier Pétré-Grenouilleau zijn beroemde werk Les traites négrières (‘De slavenhandels’). Daarin besteedde hij niet alleen aandacht aan de Europese, maar ook aan de Afrikaanse inheemse en de Arabische slavenhandel. Bovendien stelde hij dat de laatste twee omvangrijker waren dan hun trans-Atlantische tegenhanger. Woedende reacties van nazaten van zwarte slaven waren zijn deel.
Zij verweten Pétré-Grenouilleau de trans-Atlantische slavenhandel te bagatelliseren door deze op één lijn te stellen met andere vormen van slavenhandel. De slaventransporten naar de Nieuwe Wereld zouden een unieke vorm van ‘genocide’ zijn geweest – in laatste instantie slechts vergelijkbaar met de Holocaust. De historicus werd beschuldigd van ‘revisionisme’, en hoewel deze aanklacht later – na fel protest van zijn Franse collega’s – werd ingetrokken, was de toon van het debat gezet.

Twee jaar later toonde een andere groep Franse burgers, namelijk de migranten uit Noord-Afrika en hun nazaten, zich geschokt door een historische studie. Ditmaal betrof het de Franse vertaling van een werk van Robert C. Davis. Deze Amerikaanse historicus nam in zijn boek Christian Slaves, Muslim Masters de Noord-Afrikaanse handel in christenslaven onder de loep. Daarbij maakte hij gebruik van de onderzoeksmodellen die gewoonlijk slechts op de trans-Atlantische slavenhandel worden losgelaten. Davis bestreed in zijn studie niet alleen de gangbare opvatting dat Europese slaven in Noord-Afrika in de regel relatief goed werden behandeld, hij kwam ook met indrukwekkende totaalcijfers.
Zo schat hij het aantal Europese christenen dat tussen 1530 en 1780 in slavernij werd gevoerd naar de formeel Ottomaanse ‘kaperrepublieken’ Algiers, Tunis en Tripoli op ‘bijna zeker een miljoen en zeer waarschijnlijk één en een kwart miljoen’. In die berekening zijn de christenslaven in het onafhankelijke Marokko – met de kaperssteden Tetouan en Salé – en Egypte niet meegerekend.
Dat Davis’ studie door Noord-Afrikaanse migranten als een slag in het gezicht werd ervaren is vooral toe te schrijven aan de wijdverbreide opvatting in de Arabische wereld dat ‘islamitische’ slavernij geen slavernij was in de gebruikelijke zin van het woord. De islamitische wet zou slaven rechten hebben gegeven die zij in andere beschavingen niet bezaten. Daarnaast zal hebben meegespeeld dat beschuldigingen van piraterij en slavenhandel in de negentiende eeuw door Europese mogendheden zijn aangewend als excuus voor de kolonisatie van Arabische landen. In reactie daarop is, na de dekolonisatie, zowel in de Arabische als in de westerse landen de opvatting in zwang geraakt dat dit soort beschuldigingen per definitie ongegrond was, of op z’n minst sterk overdreven.

Haremtaferelen
De onderschatting van het fenomeen slavernij in de Arabische wereld heeft ertoe geleid dat er weinig onderzoek naar is gedaan. Historische werken over het Midden-Oosten zijn over het algemeen buitengewoon karig met informatie over Arabische slavernij. Pogingen om dit toch zeer omvangrijke verschijnsel in kaart te brengen worden pas sinds kort ondernomen.
Deze wetenschappelijke koudwatervrees valt niet alleen te verklaren uit ‘politiek correctheid’ of de mogelijke angst voor negatieve reacties van westerse nazaten van slaven of Arabische migranten. De eenzijdige aandacht voor de trans-Atlantische slavenhandel is voor alles het resultaat van een westerse geschiedschrijving, die nog altijd ten diepste eurocentrisch is. Zo is de trans-Atlantische slavenhandel los komen te staan van zijn context en ontstaansgrond, namelijk de Arabische, mediterrane en inheems-Afrikaanse slavenhandel.
Vanuit de op zich prijzenswaardige wens om ook de zwarte bladzijden van de westerse geschiedenis onder de aandacht te brengen, is de idee van uniciteit van de westerse slavenhandel verder versterkt. Daar komt bij dat ‘exotische’ vormen van slavenhandel door oriëntalistische stereotypering een wat koddig imago hebben gekregen. Denk aan Mozarts Die Entführung aus dem Serail en de populaire tv-serie Angélique uit de jaren zestig. In beide gevallen vormt de Turkse dan wel Arabische slavenhandel slechts een aanleiding om uit te pakken met sterk geromantiseerde haremtaferelen.
Wat het lot van christenslaven in Barbarije betreft, worden onderzoekers bovendien gehinderd door een schaarste aan bronnen. Anders dan bij de trans-Atlantische slavenhandel zijn contemporaine lokale bronnen geheel afwezig, zeldzaam dan wel moeilijk toegankelijk. Ook zijn er geen gemeenschappen van nazaten van christelijke slaven die – zoals op het Amerikaanse continent het geval is – generatie op generatie een collectieve herinnering in stand hebben gehouden en kunnen pleiten voor erkenning van het geleden historische onrecht.
Hier doet zich de omstandigheid voelen dat het christelijke slaven in Barbarije vrijwel onmogelijk werd gemaakt gezinnen te stichten om zich zo als slavengemeenschap te reproduceren. Bovendien lag het jaarlijks sterftecijfer – volgens een schatting van Davis – op zo’n 17 procent, naast de 8 procent die werd vrijgekocht, ontsnapte of als ‘renegaat’ opging in de lokale gemeenschap. Ook zijn er geen potentiële lieux de mémoire van de slavernij in Noord-Afrika: van de beruchte banjo’s of slavengevangenissen waarin de meeste Europese slaven verbleven, is er niet één bewaard gebleven.
Al met al is het niet zo verwonderlijk dat het fenomeen christenslavernij in de islamitische wereld tot zeer recent door veel onderzoekers is gebagatelliseerd. De bronnen die wél voorhanden zijn – memoires van slaven, cijfers van gedupeerde kooplieden en publicaties van religieuze ordes die zich hadden gespecialiseerd in het vrijkopen van slaven – zijn dan ook niet zelden weggezet als ‘propaganda’. Zo lezen we in een Geschiedenis van Marokko uit 2002 over ‘propagandaverhalen van religieuze ordes die met zielige verhalen geld probeerden in te zamelen voor de vrijkoop van de gevangengehouden christenen’.
Het is echter zeer de vraag of alle betrokkenen wel gebaat waren bij overdrijving van de aantallen christenslaven en hun behandeling. De Staten-Generaal of de stad Amsterdam, die incidenteel slaven vrijkochten, hadden er in ieder geval geen belang bij meer geld uit te geven dan nodig was. Wanneer een Zeeuwse vissersvrouw haar man als vermist opgaf, zullen de autoriteiten niet snel geneigd zijn geweest de verdwenen visser als ‘gekaapt’ te noteren. Ook al besloten de Staten-Generaal op zeker moment oorlogsschepen in te zetten om de Zeeuwse en Hollandse vissersvloten tegen Barbarijse zeerovers te beschermen.

Manipulaties
Een van de meest opmerkelijke conclusies van Davis was dat waar de documenten van de religieuze ordes met aanvullend bronnenmateriaal vergeleken konden worden, de bronnen elkaar niet of nauwelijks tegenspraken. Zo stelde hij het beeld bij dat deze ordes slechts fantasiedocumenten produceerden. Davis’ studie is natuurlijk niet het laatste woord in de discussie over christenslavernij, maar om de indrukwekkende cijfers die hij mede op grond van deze documenten produceerde kunnen onderzoekers niet zomaar heen.
Het is dan ook schokkend om te constateren dat in het recente boek Christenslaven van de historici Laura van den Broek en Maaike Jacobs de berekeningen van Davis niet worden aangevochten, maar eenvoudigweg verkeerd worden weergegeven. Blijkbaar zijn de conclusies moeilijk te accepteren. De auteurs schrijven: ‘Volgens een berekening van Davis hebben naar schatting een miljoen Europeanen tussen de zestiende en negentiende eeuw enige tijd in slavernij doorgebracht.’ Hier vallen meerdere manipulaties op. Ten eerste vermelden de onderzoekers alleen Davis’ ondergrens van 1 miljoen. Bovendien wordt nagelaten erop te wijzen dat Davis’ berekening alleen betrekking heeft op Algiers, Tunis en Tripoli, en niet op Marokko – en zeker niet op de rest van de islamitische wereld.
Het aantal Europeanen dat ‘enige tijd’ in islamitische slavernij ‘doorbracht’ in de drie genoemde eeuwen – in plaats van de door Davis gehanteerde 250 jaar – moet in werkelijkheid een veelvoud van die 1 miljoen zijn geweest. Een niet-gering aantal Europese christenslaven werd immers via de Ottomaanse hartlanden uit Rusland en de Balkan gevoerd, en viel daarom buiten Davis’ studie. Zo zou het Ottomaanse Rijk, volgens de gerenommeerde Turkse historicus Halil Inalcik, tussen 1450 en 1700 zo’n 2,5 miljoen Poolse, Russische en Oekraïense slaven via de Krim hebben geïmporteerd.
Met de vraag naar het aantal ‘Nederlandse’ slaven wordt in wat minder recente Nederlandse publicaties op dezelfde slordige wijze omgegaan. Zo schrijft Piet Boon in het artikel ‘Genomen door den Turck. Christenslaven in Noord-Afrika’: ‘Over de Noord-Afrikaanse kaapvaart deden heel lang sterk overdreven cijfers de ronde. Nog in de tweede helft van de twintigste eeuw vermelden verschillende schrijvers tienduizenden Nederlandse slaven. Een recente betrouwbare schatting komt echter niet hoger dan 7000.’ Een bron wordt niet vermeld, maar deze kan niet anders zijn dan het boek Kapers en kooplieden van Gerard van Krieken, dat twee jaar eerder werd gepubliceerd. Hierin wordt, met het nodige voorbehoud, inderdaad een schatting gemaakt van ‘zes- à zevenduizend opvarenden van Nederlandse schepen’.
Deze schatting heeft echter geen betrekking op het aantal Nederlandse slaven in Noord-Afrika, maar enkel op het aantal opvarenden op Nederlandse koopvaarders dat als slaaf in Algiers terechtkwam. En dan nog in een beperkte periode van slechts één eeuw. Geroofde vissers uit Holland en Zeeland zijn niet meegerekend, evenmin als inwoners van de Republiek die op schepen van bevriende naties voeren. De ‘sterk overdreven cijfers’ van eerdere generaties zijn dus mogelijk helemaal niet zo overtrokken. We weten dat alleen niet zeker, omdat er nooit enig serieus onderzoek naar is gedaan.

Galeislaven
Wat was nu het lot van de Europese slaven in ‘Barbarije’? Volgens het eerder genoemde Geschiedenis van Marokko waren zij ‘zeer waarschijnlijk veel beter af dan de islamitische slaven in Europa’. Dit wordt als volgt onderbouwd: ‘Terwijl de christenen vaak gebruikt werden als huishoudelijk personeel of als technici in het leger, werden de meeste islamitische slaven gebruikt als roeiers op de galeien.’
Maar volgens Davis werd de meerderheid van de mannelijke christenslaven, tot het einde van de zeventiende eeuw, juist als galeislaven tewerkgesteld. Dat alleen moslimslaven in Europa op de galeien terechtkwamen, is alleen al ongeloofwaardig omdat Europese naties veel sneller zijn overgegaan op zeiltechnieken. Vanaf 1600 werden galeislaven daarom vooral geassocieerd met islamitische naties. Volgens de zeventiende-eeuwse Portugese slaaf João Mascarenhas beweerden Europese slaven in Algiers dat wie geen galeotto was geweest, zichzelf niet werkelijk slaaf kon noemen.
Het bestaan als galeislaaf in Barbarije is door de achttiende-eeuwse Brit James Morgan beschreven als ‘de meest ondraaglijke en meest gevreesde tewerkstelling’. Een leven ‘aan de riemen’ was, afgaande op de verslagen van overlevenden en toeschouwers, ‘een ware hel op aarde’. De galeislaven moesten vaak dagen achtereen non-stop roeien, vastgeketend met hun armen aan de riemen en met hun enkels aan een lange, zware ketting. Ter aansporing zouden de bewakers regelmatig een in teer gedrenkte zweep ter hand hebben genomen – hoewel volgens sommige tijdgenoten kastijding met een gedroogde, uitgerekte stierenpenis de bijzondere voorkeur van opzichters genoot.
Het was dan ook niet voor niets dat slaven op de markten van Algiers, Tunis of Salé met angst en beven uitzagen naar de identiteit van de ‘patroon’ die in hen wilde investeren. Was het hem vooral te doen om op termijn losgeld te ontvangen, of wilde hij zijn investering sneller terugverdienen? In dat laatste geval was zelfs tewerkstelling in de steengroeven of de bouw te prefereren boven de galeien.
In het eerste geval werden de ‘gelukkigen’ inderdaad vaak als ‘huishoudelijk personeel’ ingezet. Dit is echter een nogal eufemistische omschrijving van een positie die een aanzienlijk breder takenpakket met zich meebracht dan alleen stoffen, strijken en de kinderen van de patroon in slaap zingen. Bovendien gaf het in de afgezonderde biotoop van het familiedomein geen enkele garantie voor een humane behandeling.

Stokslagen
Dit zien we bevestigd in het relaas van Cornelis Stout – hoewel daarbij moet worden bedacht dat in dit soort documenten nooit precies valt aan te geven waar Wahrheit overgaat in Dichtung. In eerste instantie lijkt Stout geluk te hebben gehad: hij wordt met zijn vrouw en kinderen ondergebracht in het huis van zijn patroon en ontloopt zo de overvolle banjo’s. Zijn vrouw en kinderen krijgen nieuwe schoenen, zeep om zich te wassen en linnen om kleren te naaien. Cornelis mag zijn baard laten scheren en zijn schoenen laten lappen. Hij past regelmatig op de zoon van zijn baas en kan dan gaan en staan waar hij wil.
Maar andere slaven waarschuwen Cornelis dat al deze vriendelijkheid maar ‘loosheijdt’ is ‘om alsoo uijt iemandt te krijgen, al hetgeen hij nodigh hadden te weten om hoogh rantsoen te kunnen eijsschen’. Cornelis krijgt het advies niet langer op ondervragingen van zijn baas in te gaan. Dit zou zijn losprijs kunnen opdrijven, waarmee een mogelijke vrijkoop op het spel zou komen te staan. Dat gaat een tijdje relatief goed. ‘Wij moghten altemet eens “hondt”, “sodt” of “esel” na ons gadt krijgen, maar dat deed geen seer. Konden ondertusschen evenwel sien dat se van tijdt tot tijdt stuijerscher en onvrindelijcker wierden.’
Wanneer Stouts patroon op 16 juli 1679 op bedevaart naar Mekka gaat, verandert de situatie radicaal. Het ‘huishoudelijk werk’ – onder meer boodschappen doen, koken, brood bakken en graanzakken sjouwen – wordt geleidelijk aan zwaarder en de eerste dreigementen met stokslagen van de pater familias, een Griekse renegaat die is getrouwd met de moeder van de patroon, dienen zich aan. Op een gegeven moment wordt het hele gezin naar het platteland gestuurd, waar het in een stal met andere slaven moet slapen.
Stout moet er van ’s ochtends vroeg tot ’s avonds laat putten graven, koren snijden, hout hakken, dieren voederen en stallen schoonmaken. Hij noemt de hofstee ‘in sigh selven een aardts paradijs maar voor ons een plaats vol elende; hier proefde wij eerst wat de Turckse slavernij is, lopende en rennende, te hooren roepen en schelden, slaan en smijten, honger en gebreck en al wat ramp voor een elendigh mens kan bedaght werden, was ons dagelijkckx broot.’
Hij wordt niet alleen zelf mishandeld, maar maakt, eenmaal terug in de stad, ook mee hoe een slaaf tijdens een bruiloftsfeest in brand wordt gestoken, nadat hij met vlas is omwikkeld. Een andere slaaf weet ternauwernood het vuur te blussen. Ook Christina, die later dan Cornelis terugkeert van het platteland en hoogzwanger is, wordt niet ontzien. Ze moet haar zware huishoudelijk werk blijven verrichten en wordt een dag voor haar bevalling nog flink geslagen. Twee dagen na de bevalling van haar dochtertje, op 3 maart 1680, moet ze weer aan het werk.
Maar de redding daagt in de vorm van het Nederlandse oorlogsschip Middelburg, dat op 1 mei de haven van Algiers aandoet. Aan boord bevindt zich de diplomaat Jacobus Tollius, die een vredesverdrag tussen de Republiek en Algiers komt bekrachtigen. Tollius heeft acht kanonnen bij zich voor de plaatselijke machthebber. Maar dat niet alleen: hij heeft ook een grote som geld die door familie en vrienden van Stout is verzameld om de familie vrij te kopen. Na taaie onderhandelingen mag de familie Stout voor 1200 zilverstukken vertrekken. Stout is buiten zinnen van geluk: ‘Kom Christina, wij sijn vrij, wij sijn vrij, com geeft mijn het kleijnste kindt en laat ons gaan!’
Op 8 mei vertrekt de Middelburg mét de familie Stout en een aantal andere gelukkigen uit de haven van Algiers. Ze hebben hun vrijheid te danken aan één aspect waarin de Noord-Afrikaanse slavenhandel zich daadwerkelijk onderscheidde van zijn trans-Atlantische equivalent: de mogelijkheid – en niet meer dan de mogelijkheid – te worden vrijgekocht en zo het slavenbestaan voorgoed achter zich te laten.





 
 
 

Kerstspecial


Speciaal voor de kerst verrast Historisch Nieuwsblad zijn lezers met een extra online special over vrede. Spannende en opmerkelijke verhalen leest u in onze online Kerstspecial.

Ook in de special: ideeën voor leuke uitstapjes in december en de beste cadeautips voor kerst.

Liever offline lezen? Download de special hier (3MB).


Klik hier voor het Thuiswinkelcertificaat